Johannes de Kleine, abt

1 (316) Men vertelde van abt Johannes de Kleine dat hij zich teruggetrokken had in de Skêtis bij een grijsaard uit Thêbais en neerzat in de woestijn. Toen nam zijn abt een dorre tak, plantte die en zei vervolgens: “Geef hem elke dag een kruikje water zolang totdat hij vruchten draagt”. Nu lag het water zo ver van hen af dat, als hij ’s avonds wegging, hij pas de volgende ochtend terug was. Maar na drie jaar botte hij uit en droeg vrucht. Toen nam de grijsaard zijn vrucht, bracht haar naar de kerk en sprak tot de broeders: “Neemt en eet een vrucht van de gehoorzaamheid!”

2 (317) Men vertelde van abt Johannes de Kleine dat hij eens tot zijn oudere broer zei: “Ik zou wel zonder zorgen willen zijn, zoals de engelen geen bekommernissen hebben; zij werken niet, maar onafgebroken dienen zij God”. Hij legde zijn bovenkleed af en trok de woestijn in. Nadat hij daar een week had doorgebracht, keerde hij naar zijn broer terug. Hij klopte op de deur en de ander riep: “Ja!” alvorens open te doen en zei: “Wie bent u?” Hij nu antwoordde: “Ik ben Johannes, je broer!” Maar hij liet hem weten: “Johannes is een engel geworden en verblijft niet meer onder de mensen!” Hij drong echter aan: “Ik ben het zelf!” Toch deed hij niet voor hem open, maar hij liet hem tot de volgende morgen in kwelling buiten. Eindelijk deed hij dan open en zei: “Je bent een mens, je moet dus weer gaan werken om te eten”. Toen verontschuldigde hij zich met een buiging en zei: “Vergeef het me”.

3 (318) Abt Johannes de Kleine zei: Wanneer een koning een stad op de vijand wil innemen, bemachtigt hij eerst het water en het voedsel; dan moet de vijand zich wel aan hem onderwerpen, want hij komt om van honger. Zo gaat het ook met de hartstochten van het vlees: als iemand een leven leidt van vasten en honger, verzwakt de greep van zijn vijanden op zijn ziel.

4 (319) Ook zei hij: Wie tot verzadigens toe eet en praat met een kind, heeft in zijn gedachte reeds ontucht ermee bedreven.

5 (320) Ook dit zei hij: Terwijl ik eens de weg opging naar de Skêtis met mijn vlechtband bij me, bemerkte ik dat de kameeldrijver mij door zijn spreken tot toorn prikkelde. En ik liet mijn zaken in de steek en vluchtte weg.

6 (321) Een ander maal, tijdens de zomer, hoorde hij een broeder zijn evenmens toornig toespreken en zeggen: “Wat, jij ook al!” En hij liet de oogst in de steek en vluchtte weg.

7 (322) Het gebeurde eens dat enkele grijsaards in de Skêtis gezamenlijk aan een maal zaten. Onder hen bevond zich ook abt Johannes. Een beroemd priester stond op om met de koelkan met water rond te gaan. En niemand waagde het iets van hem te nemen dan alleen Johannes de Kleine. Men stond verbaasd en zei hem: “Wat, u bent de kleinste van allen, en u durft zich door de priester te laten bedienen!” En hij sprak tot hen: “Als ik zou opstaan om met de koelkan rond te gaan, zou ik blij zijn als allen ervan namen, dan ontvang ik er loon voor. Welnu, daarom heb ik ervan genomen om hem zijn loon te bezorgen, anders zou hij bedroefd worden, omdat niemand van hem neemt”. Over dit woord verbaasden zij zich, en zijn onderscheidingsvermogen baatte hen zeer.

8 (323) Eens, toen hij neergezeten was voor de kerk, vormden de broeders een kring om hem heen en vorsten hem uit over hun gedachten. Een van de grijsaards die dat zag, werd bekoord tot afgunst en zei tegen hem: “Je kruik, Johannes, is boordevol vergif!” Abt Johannes zei hem: “Dat is zo, abba, en u sprak aldus, omdat u nog maar de buitenkant ziet. Als u er eens in kon kijken, wat zou u dan wel zeggen!”

9 (324) De Vaders zeiden: Tijdens een liefdemaal dat de broeders hielden begon een broeder aan tafel te lachen. Abt Johannes zag het, barstte in schreien uit en zei: “Wat mag er toch wel in het hart van die broeder omgaan, dat hij begon te lachen, terwijl hij veeleer zou moeten schreien, omdat hij eet van een liefdemaal”.

10 (325) Op zekere keer kwamen enige broeders hem op de proef stellen, want hij liet zijn gedachte niet rondwaren en sprak niet over iets van deze wereld. En zij zeiden hem: “Wij danken God dat het dit jaar zoveel geregend heeft. De palmbomen zijn goed bevloeid en schieten loten, en de broeders vinden (hun materiaal voor) hun hand werk”. Abt Johannes sprak tot hen: “Zo is het ook met de Heilige Geest. Wanneer Hij neerdaalt in de harten van de mensen, worden zij weer nieuw en schieten loten in de vreze Gods”.

11 (326) Men vertelde van hem: Eens vlocht hij een vlechtband voor twee manden tegelijk, maar hij vlocht er maar één mee, en hij bemerkte het pas, toen hij de muur raakte. Zijn gedachte immers was verslonden in de beschouwing.

12 (327) Abt Johannes zei: Ik lijk op iemand die aan de voet van een hoge boom zit en vele wilde beesten en kruipend gedierte op zich ziet afkomen. En als hij het tegen hen niet meer uithoudt, klimt hij de boom in en stelt zich in veiligheid. Zo is het ook met mij. Ik zit in mijn kluis en zie de boze gedachten tegenover me. En als mijn krachten ertegen me begeven, neem ik mijn toevlucht tot God door middel van het gebed en zo stel ik me veilig voor de vijand.

13 (328) Abt Poimên zei van abt Johannes de Kleine: Op zijn smeekbede tot God werden de hartstochten van hem weggenomen en leefde hij onbezorgd. Hij ging eens naar een grijsaard en zei: “Ik zie dat ik rust geniet en geen strijd te voeren heb”. En de grijsaard antwoordde hem: “Ga heen en smeek God dat de strijd tot u mag komen, met heel het getob en de vernedering die u er vroeger mee had. Want door de strijd maakt de ziel vooruitgang”. Hij bad dus tot God en als de strijd kwam, vroeg hij niet meer dat hij van hem werd weggenomen, maar hij zei: “Heer, geef me standvastigheid in de strijd!”

14 (329) Abt Johannes zei dat een grijsaard eens in vervoering het volgende zag: Er stonden drie monniken aan de overzijde van de zee en er klonk een stem van de andere oever: “Meet u vleugels van vuur aan en komt hierheen bij mij.” Twee nu deden zo en vlogen naar de andere kant. Maar de derde bleef achter. Hij weende erg en stond luid te roepen. Tenslotte werden ook aan hem vleugels gegeven, echter niet van vuur, maar slappe en krachteloze. En met moeite, telkens in het water vallend en weer opfladderend, bereikte hij met grote narigheid de overzijde. Zo is het nu ook met het huidige geslacht. Als het zich al vleugels aanmeet, dan toch niet van vuur, maar slappe en krachteloze.

15 (330) Een broeder vroeg abt Johannes: “Hoe is het mogelijk dat mijn ziel met al haar wonden zich niet schaamt haar naaste te belasteren?” De grijsaard gaf een gelijkenis met betrekking tot de laster. Iemand die arm was, had een vrouw. Toen ontmoette hij een andere, schone vrouw, en hij nam haar. Nu waren beide vrouwen naakt. Bij gelegenheid van een volksfeest in een of andere plaats verzochten ze hem: “Neem ons mee!” En hij nam ze mee, maar verborg ze in een vat. Hij ging scheep en kwam op de plaats aan. Toen het nu heet was geworden, en de mensen rust namen, keek de ene over de rand, en omdat ze niemand zag, sprong ze eruit en ging naar een mestvaalt, waar zij wat oude vodden bijeenraapte. Daarvan maakte zij een schaamgordel en ging toen vrijmoedig rondwandelen. De andere echter, die naakt in het vat bleef zitten, zei: “Zie me daar die deerne! Zij schaamt zich niet om naakt rond te wandelen!” Dit kon haar man niet verdragen en hij zei: “Wel allemachtig, die daar bedekt tenminste haar schaamte; jij bent helemaal naakt en je durft zo te spreken!” Zo is het ook gesteld met de laster.

16 (331) Eveneens tot die broeder zei de grijsaard, sprekend over de ziel die tot inkeer wil komen: “In een zekere stad woonde een hoer die schoon was en veel vrienden bezat. Eens kwam een prins tot haar en zei: ‘Beloof me kuis te blijven, dan neem ik je tot vrouw’. En zij beloofde het hem. Hij nam haar tot zich en voerde haar mee naar zijn huis. Maar haar vrienden kwamen haar zoeken en zeiden: ‘Prins die en die heeft haar mee naar zijn huis genomen. Als wij voor zijn huisdeur verschijnen en hij bemerkt ons, wreekt hij zich op ons. Komt, laten we daarom naar de achterkant van het huis gaan en haar fluiten! Zij herkent dan ons fluitje, daalt naar ons af, en ons treft dan geen schuld’. Toen zij nu het fluiten hoorde, stopte zij haar oren goed dicht, spoedde zich naar het binnengelegen slaapvertrek en sloot de deuren”.
Vervolgens sprak hij: “De hoer is de ziel, haar vrienden zijn de hartstochten en de mensen, de prins is Christus. Het binnengelegen vertrek is de eeuwige woning. Zij die haar fluiten zijn de boze duivels. Zij echter vlucht telkens opnieuw naar de Heer”.

17 (332) Eens toen abt Johannes met andere broeders uit de Skêtis terugkeerde, verdwaalde hun gids, want het was nacht. De broeders zeiden daarom tot abt Johannes: “Wat moeten we doen, abba, de broeder is de weg kwijt; anders sterven we nog, als we blijven ronddwalen”. De grijsaard sprak tot hen: “Als we het hem zeggen, voelt hij zich gestoten en beschaamd; kijk, ik houd me ziek en zeg dat ik niet verder kan trekken, maar dat ik hier blijf tot de volgende morgen”. En zo deden ze. Toen zeiden de overigen: “Dan gaan wij ook niet verder, maar wij blijven bij u zitten”. En zij gingen zitten tot de morgen, en zo stootten zij de broeder niet.

18 (333) Er leefde een grijsaard in de Skêtis, die zich naar het lichaam afsloofde, maar in zijn gedachten niet nauwlettend was. Hij ging dan eens naar abt Johannes om hem iets te vragen over zijn vergeetachtigheid. Toen hij van hem een woord gehoord had, keerde hij naar zijn kluis terug en vergat wat abt Johannes hem gezegd had. Hij keerde daarom terug om het hem opnieuw te vragen. Hij vernam van hem het woord op dezelfde manier en keerde terug. Maar in zijn eigen kluis aangekomen, was hij het weer kwijt. En zo ging hij er zeer vele malen heen, om in het terugkeren door zijn vergeetachtigheid overmand te worden.
Later kwam hij de grijsaard eens tegen en zei: “Weet u, abba, dat ik weer vergeten ben wat u me zei? Maar om u niet langer lastig te vallen, ben ik niet gekomen”. Abt Johannes zei hem: “Ga een lamp aansteken!” En hij stak haar aan. Vervolgens zei hij: “Neem nu andere lampen en steek die daarmee aan!” En hij deed het eveneens. Daarna sprak abt Johannes tot de grijsaard: “Is de lamp er minder op geworden, omdat zij de andere lampen heeft aangestoken?” Hij zei: “Welneen!” Waarop de grijsaard zei: “Zo is het ook met Johannes. Al komt heel de Skêtis naar me toe, ze zullen me de genade van Christus niet beletten. Derhalve, kom wanneer u wilt, zonder ergens op te letten”. En zo nam God door de volharding van beiden, de vergeetachtigheid van de grijsaard weg. En daarin bestond de bezigheid van de bewoners van de Skêtis: zij die te strijden hadden aan te moedigen en zichzelf ertoe te zetten anderen voor het goede te winnen.

19 (334) Een broeder vroeg abt Johannes: “Wat moet ik doen? Dikwijls komt een broeder me meenemen voor een werk, maar ik ben versleten en ziekelijk, en ik strompel onder het werk. Wat moet ik doen vanwege het gebod (van de naastenliefde)? De grijsaard gaf ham ten antwoord: “Kaleb sprak tot Jezus, de zoon van Navé: ‘Veertig jaar was ik, toen Mozes, de dienaar des Heren, mij en u vanuit de woestijn naar dit land stuurde. En nu ben ik vijfentachtig jaar. Maar zoals ik toen was, zo ben ik nu nog in staat in en uit te gaan ten oorlog’ (vgl. Joz 14,7.10.11). Zo is het ook met u: als u in staat bent, zoals u uitgaat, zo ook terug te keren, ga dan! Maar als u niet meer in staat bent zo te doen, blijf dan in uw kluis zitten en beween uw zonden. Als ze u dan rouwmoedig wenend aantreffen, dwingen ze u niet uit te gaan”.

20 (335) Abt Johannes zei: “Wie heeft Jozef verkocht?” Een broeder antwoordde: “Zijn broers”. De grijsaard zei hem: “Neen, zijn nederigheid heeft hem verkocht. Want hij had kunnen zeggen: Ik ben hun broer, en zich zo kunnen verdedigen. Maar hij zweeg en zo verkocht hij zichzelf door zijn nederigheid. Zijn nederigheid ook stelde hem aan tot bestuurder in Egypte”.

21 (336) Abt Johannes zei: Omdat wij de lichte last van ons afgeschoven hadden, te weten onszelf te berispen, daarom torsten wij de zware, te weten, onszelf te rechtvaardigen.

22 (337) Verder zei hij: De nederigheid en de vreze Gods gaan alle deugden te boven.

23 (338) Eens zat hij in de kerk en slaakte een zucht, niet wetend dat er iemand achter hem stond. Maar toen hij het bemerkte, verontschuldigde hij zich en zei: “Neem het me niet kwalijk, abba, want ik heb nog geen onderricht gehad”.

24 (339) Hij zei tegen zijn leerling: Als wij de Ene eren, eren allen ons. Maar als wij de Ene, dat is God, minachten, minachten allen ons en gaan wij onze ondergang tegemoet.

24A (339A) Een grijsaard zei: Eens gebruikte ik de maaltijd met abt Johannes de Kleine en een ander grijsaard zat mee aan. De grijsaard begon te praten, maar abt Johannes zweeg. Voor de tweede maal begon hij te praten, maar de grijsaard zweeg. Toen hij voor de derde maal begon, zei abt Johannes: “Heus, abba, sinds u aan deze tafel bent gaan zitten, hebt u God van mij verwijderd en is de drukte binnengekomen”. Hij stond op, pakte zijn vlechtband en begon hard te werken. En de grijsaard van zijn kant ging terneergeslagen heen.
Toen zei ik tegen abt Johannes: “Abba, waarom hebt u de grijsaard zo geërgerd dat hij terneergeslagen vertrokken is?” Hij antwoordde me: “Het is veel beter en krachtdadiger, het is passend en behoorlijk, dat men God niet vertoornt en de heilige engelen niet bedroeft. Want er staat geschreven: Ik sprak voor koningen en ik werd niet beschaamd (Ps 118/ 119,46). Want als wij de Ene eren, eren allen ons. Maar als wij de Ene, dat is God, minachten, minachten allen ons en gaan wij onze ondergang tegemoet. Want wie de Ene godvruchtig dient, zal de velen niet vrezen. Of beter, de velen zullen de Ene vrezen. Als een monnik aan tafel zit, verschilt hij in niets van een varken of een kat. Want als een varken eet, knort het, en als de kat eet, spint zij. Maar ik ga wel naar die grijsaard toe om hem met een buiging mijn verontschuldiging aan te bieden. En vergeeft hij me, dan zal hij ermee gebaat zijn, ik zal ongestoord neerzitten en u kunt zonder enige schade naar uw kluis terugkeren”.

25 (340) Men vertelde van abt Johannes dat, toen hij naar de kerk in de Skêtis gekomen was, hij daar zekere broeders hoorde twisten. Hij keerde naar zijn kluis terug, liep er driemaal omheen en trad daarna binnen. Enkele broeders die hem gezien hadden, vroegen zich af waarom hij dat zou gedaan hebben. Daarom gingen ze het hem vragen. Toen sprak hij tot hen: “Mijn oren weergaImden nog van het twistgesprek. Daarom liep ik wat rond om ze te zuiveren en daarna in de rust van mijn verstand mijn kluis binnen te treden”.

26 (341) Eens kwam een broeder ’s avonds laat naar de kluis van abt Johannes en hij had haast om te vertrekken. Maar al sprekend over deugden werd het morgen zonder dat ze het bemerkten. En hij ging naar buiten om hem uitgeleide te doen En zij bleven nog doorpraten tot aan het zesde uur [=twaalf uur ’s middags]. Toen bracht hij hem binnen en na gegeten te hebben, vertrok hij.

27 (342) Abt Johannes zei: Waakzaamheid is: in zijn cel neerzitten en altijd aan God denken. En dat is het schriftwoord: In de gevangenis was Ik, en u bent naar me toe gekomen.

28 (343) Ook zei hij: Wat is er zo sterk als een leeuw? En toch, door zijn buik valt hij in een strik en heel zijn kracht dient hem tot niets.

29 (344) Verder zei hij: Hoewel de vaders van de Skêtis slechts brood en zout aten, zeiden zij: “Laten wij ons niet verplichten tot zout en brood”. En daarom stonden zij sterk in het werk van God.

30 (345) Een broeder kwam een paar manden halen bij abt Johannes. En deze kwam naar buiten en zei: “Wat verlangt u, broeder?” En hij zei: “Een paar manden, abba”. Hij ging daarop naar binnen om ze te halen, vergat het en ging weer zitten vlechten. Opnieuw klopte hij. En toen hij naar buiten kwam, zei hij hem: “Geef me de mand, abba!” En toen bij binnen was, ging hij weer zitten vlechten. En nogmaals klopte de ander. Hij ging naar buiten en vroeg hem: “Wat verlangt u, broeder?” En deze zei: “De mand, abba!” Daarop greep hij hem bij de hand, bracht hem naar binnen en zei: “Als u manden verlangt, pak ze maar en ga dan, want ik heb geen tijd”.

31 (346) Eens kwam een kameeldrijver zijn zaken ophalen om ze naar een andere plaats te brengen. Hij ging toen naar binnen om hem zijn vlechtband te brengen, maar hij vergat het, omdat zijn gedachte op God gespannen was. Weer stoorde de kameeldrijver hem door op de deur te kloppen. En weer vergat abt Johannes het, zodra hij binnen was. Maar toen de kameeldrijver voor de derde maal had geklopt, bleef hij, terwijl hij naar binnen ging, bij zichzelf herhalen: “Vlechtband – kameel – vlechtband – kameel”. Dat zei hij om het niet te vergeten.

32 (347) Hij was ook brandend van geest. Iemand die hem een bezoek bracht, prees eens zijn werk. Hij zat juist aan zijn vlechtband en zweeg. Weer richtte die persoon het woord tot hem, en weer zweeg hij. Bij de derde maal zei hij tegen zijn bezoeker: “Sinds u hier binnen bent, hebt u God van me verwijderd”.

33 (348) Een grijsaard trad de cel van abt Johannes binnen en trof hem slapende aan, terwijl een engel naast hem stond en hem koelte toewuifde. Op dat gezicht trok hij zich terug. Maar toen hij was opgestaan, zei hij tegen zijn leerling: “Is hier iemand binnen geweest, terwijl ik sliep?” Hij zei: “Ja, die en die grijsaard”. En abt Johannes begreep dat de grijsaard dezelfde graad bereikt als hij, en dat hij de engel gezien had.

34 (349) Abt Johannes zei: Ik wil dat men zich wat van alle deugden eigen maakt. Derhalve moet men elke dag bij het opstaan een aanvang maken met iedere deugd en elk gebod van God, in zeer grote volharding, met vreze en lankmoedigheid, in liefde tot God, met alle ijver van ziel en lichaam en in veel nederigheid, standvastig in de kwelling van hart en in de waakzaamheid, in veel gebed en voorbeden voor anderen gepaard aan zuchten, in reinheid van tong en in bewaking van de ogen, onder beledigingen niet vergramd, in vredelievendheid en zonder kwaad met kwaad te vergelden, geen acht slaande op de feilen van anderen, zijn eigen graad niet onderzoekend omdat men onderaan de schepping staat, in verzaking aan de stof en de zaken van het vlees, in kruis, in strijd, in armoede van geest, in goed voornemen en geestelijke training, in vasten, in inkeer en geween, in de strijd tegen de bekoring, in onderscheidingsvermogen, in reinheid van ziel, in goede nuttiging [nuttiging: onduidelijke uitdrukking], in rust wat betreft het handwerk, in nachtelijk waken, in honger en dorst, in koude en naaktheid, in gezwoeg, zijn eigen graf reeds afsluitend als ware men reeds gestorven, omdat men het ervoor houdt dat de dood elk uur voor de deur staat.

35 (350) Men vertelde van dezelfde abt Johannes het volgende: Wanneer hij van de oogst terugkeerde, of wanneer hij grijsaards een bezoek gebracht had, verwijlde hij in gebed, overweging en psalmgezang totdat zijn gedachte haar vroegere loop hernomen had.

36 (351) Iemand van de Vaders zei van hem: Wie is die Johannes, die door zijn nederigheid heel de Skêtis opgehangen heeft aan zijn pink?

37 (352) Een van  de Vaders vroeg abt Johannes de Kleine: “Wat is een monnik?” En hij zei: “Krachtige inzet. Want de monnik zet zich krachtig in bij ieder werk. Dat is de monnik”.

38 (353) Abt Johannes de Kleine zei het volgende: Een grijsaard, gegrepen door de Geest, had zichzelf opgesloten. Hij was beroemd in de stad en genoot veel eer. Eens kwam men hem verwittigen: “Een van de heiligen gaat sterven. Ga hem de laatste groet brengen voordat hij overlijdt”. Hij overlegde nu bij zichzelf: “Als ik overdag veel naar buiten kom stromen de mensen toe. Zij zullen mij veel eer bewijzen en dat ontneemt mij mijn rust. Daarom ga ik vanavond in het donker, en ontsnap ik ze allemaal”. Hij verliet dus ’s avonds zijn kluis omdat hij aan de aandacht wilde ontsnappen, maar zie, van Godswege werden er twee engelen uitgestuurd om hem met fakkels bij te lichten. En toen liep de hele stad uit op het gezicht van dit roemvol gebeuren. En hoe meer hij de roem meende te ontvluchten, des te meer roem oogstte hij in. En daardoor wordt het schriftwoord vervuld: Wie zich vernedert zal verheven worden (Mt 23,12).

39 (354) Abt Johannes de Kleine zei: “Het is onmogelijk een huis van boven naar beneden te bouwen, maar men moet het van de grondslagen uit optrekken”. Zij vroegen hem: “Wat betekent dit woord?” Hij antwoordde hun: “De grondslag is de evennaaste, die moet u winnen (Mt 18,15). En die grondslag moet er eerst zijn. Daarvan hangen immers alle geboden van Christus af (vgl. Mt 22,40)”.

40 (355) Men verhaalde van abt Johannes het volgende: Van een zeker meisje stierven haar ouders en zij bleef als wees achter. Haar naam was Païsia. Zij kwam nu op de gedachte van haar huis een logies te maken ten gunste van de Vaders van de Skêtis. En zo herbergde en diende zij geruime tijd de Vaders.
Maar na een zekere tijd waren haar middelen uitgeput en begon zij gebrek te lijden. Nu waren verdorven mannen aan haar verknocht en zij brachten haar van eerzaam doel af. Zodoende begon zij slecht te leven, ja, zij verviel tot ontucht. Toen de Vaders dit hoorden, werden zij zeer bedroefd. Zij riepen abt Johannes de Kleine te hulp en zeiden hem: “Wij hebben vernomen dat die zuster een slecht leven leidt. En toch, toen zij er goed bij zat, bewees zij haar liefde jegens ons. En nu mochten wij onze liefde jegens haar bewijzen door haar te helpen. Breng haar daarom met spoed een bezoek. En regel haar zaken overeenkomstig de wijsheid die God u schonk”.
Abt Johannes ging dan naar haar toe en hij zei tegen de oude portierster: “Meld me aan bij uw meesteres”. Maar zij weigerde hem de toegang met de woorden: “Jullie hebben vanaf het begin haar bezit verslonden, en nu is zij tot armoede vervallen”. Abt Johannes antwoordde haar: “Zeg haar, dat ik haar in elk opzicht kan helpen”. Maar haar dienaars grinnikten en zeiden: “Wat kunt u haar geven? Waarom wilt u met haar praten?” Hij antwoordde: “Hoe weten jullie wat ik haar ga geven?” De oude vrouw ging dan naar boven en meldde hem aan. En het meisje sprak: “Die monniken bewegen zich altijd langs de Rode Zee en vinden edelstenen”. Zij maakte zich dan op en zei: “Doe me een plezier en breng hem bij me”.
Toen hij nu boven was, ging zij al van tevoren op bed zitten. Abt Johannes trad binnen en ging naast haar zitten. En terwijl hij haar in de ogen keek, sprak hij: “Wat heb je Jezus te verwijten, dat je zover bent gekomen?” Op het horen hiervan verstijfde zij. Abt Johannes boog het hoofd en begon bitter te wenen. Zij zei hem: “Abba, waarom schreit u?” Hij hief het hoofd even op, boog zich opnieuw wenend voorover en zei: “Ik zie dat de satan je in je gezicht bespot, en zou ik dan niet schreien?” Toen zij dat hoorde, vroeg ze hem: “Is er nog bekering, mogelijk, abba?” Hij zei haar: “Welzeker”. Zij zei hem: “Neem me mee waarheen u wilt”. Hij zei haar: “Laat ons heengaan”. En zij stond op en volgde hem. En abt Johannes merkte op dat ze niets regelde en niets aangaande haar huis beschikte, en dat verbaasde hem.
Toen zij dan in de wildernis aankwamen, was het al erg laat geworden. Daarom maakte hij voor haar van zand een klein hoofdkussentje, maakte een kruisteken over haar en zei: “Ga hier maar slapen”. Op korte afstand van haar deed hij insgelijks voor zichzelf, verrichtte zijn gebeden en legde zich ter ruste. Tegen middernacht echter ontwaakte hij en zag hoe er een baan van licht vanuit de hemel tot haar toe gericht was en dat Gods engelen haar ziel daarlangs omhoog voerden. Hij stond dan op, ging naar haar toe en stootte haar voet aan. Toen hij echter zag dat zij gestorven was, wierp hij zich voorover neer in gebed tot God. En hij hoorde, dat dat ene uur inkeer van haar aangenamer was dan de inkeer van velen, die er wel lang over doen, maar niet de gloed opbrengen van zo een inkeer.