Daniël, abt

ABT DANIEL

(183) Van abt Daniël werd het volgende gezegd: Toen de wilden de Skêtis binnenvielen, vluchtten de Vaders, maar de grijsaard zei: “Als God niet voor me zorgt, waarom leef ik dan zelfs nog?” En hij trok tussen de wilden door zonder dat ze hem opmerkten. Toen zei hij tot zichzelf: “Zie, God heeft voor me gezorgd, ik ben niet gestorven. Doe jij van jouw kant nu ook wat menselijk is: vlucht zoals de Vaders!”

2 (184)   Een broeder vroeg eens aan abt Daniël: “Geeft u me een gebod, dan zal ik dat onderhouden”. En hij antwoordde hem: “Steek nooit uw hand te zamen met een vrouw in een schotel om met haar te eten. Zodoende zult u dan een beetje ontsnappen aan de geest van ontucht”.

3 (185) Abt Daniël zei eens het volgende: De dochter van een magistraat te Babylon was bezeten van de duivel. Nu had haar vader een goede vriend, een monnik , en deze sprak tot hem: “Niemand kan uw dochter genezen dan de kluizenaars die ik ken. Maar als u het hun vraagt, slaan zij het af uit nederigheid. Laten we daarom als volgt handelen. Als ze op de markt komen, moet u zich houden als wenste u enkele dingen te kopen. En wanneer zij dan het bedrag bij u komen innen, zeggen we tot hen: ‘Laten we een gebed verrichten, en dan reken ik erop dat zij genezen wordt”. Zij gingen dus naar de markt en zagen daar een zekere leerling van de grijsaards zitten om zijn zaken aan de man te brengen. Zij namen hem met de manden mee naar huis, alsof hij de prijs ervoor in ontvangst moest nemen. Toen de monnik het huis binnentrad, kwam de bezetene op hem af en gaf hem een klap in het gezicht. Maar hij keerde haar de andere wang toe, naar het gebod van de Heer (vgl. Mt 5,39). Dit nu was een marteling voor de duivel en hij schreeuwde het uit: “Daar kan ik niet tegen op: Jezus’ gebod drijft me uit!” En op hetzelfde ogenblik werd het meisje gereinigd. Toen nu de grijsaards kwamen, berichtte men hun het gebeurde. Zij loofden God en zeiden: “Altijd komt de hoogmoed van de duivel ten val door de nederigheid van het gebod van Christus”.

4 (186) Verder zei abt Daniël: Hoe welvarender het lichaam, des te meer wordt de ziel uitgemergeld, en hoe meer het lichaam wordt uitgemergeld, des te welvarender is de ziel.

5 (187) Eens waren abt DaniëI en abt Ammoês samen op reis. En abt Ammoês zei: “Wanneer kunnen wij nu toch in onze kluis gaan neerzitten, vader?” Abt Daniël gaf hem ten antwoord: “En wie neemt God op dit ogenblik van ons weg? God is in de kluis, maar ook erbuiten is God”.

6 (188) Eens verhaalde abt Daniël het volgende: Ten tijde dat abt Antonius in de Skêtis leefde, woonde daar een monnik die zaken van de grijsaards ontvreemdde. Abt Arsenius nu nam hem mee naar zijn kluis in de hoop zowel hem te winnen (vgl. Mt 18,15) als de grijsaards hun rust te verzekeren. Hij sprak tot hem: “Wat u ook mag verlangen, ik zal het u bezorgen, maar steel niet”. En hij gaf hem goudgeld, kleingeld, kleren en al wat hij nodig had. Hij ging heen, maar stal opnieuw. Toen de grijsaards zagen, dat hij er niet mee ophield, joegen ze hem weg, want ze zeiden: “Als een broeder zo zwak is, in een fout te vallen, moet men hem verdragen, maar als hij steelt en na erop gewezen te zijn, er niet mee ophoudt, jaagt hem dan weg, want hij richt zijn ziel te gronde en brengt allen ter plaatse in onrust”.

7 (189) Eens vertelde abt Daniël, die uit Faran, het volgende: Onze vader, abt Arsenius, zei dat een van de bewoners van de Skêtis wel een groot werker was, maar simpel van geloof, en dat hij door zijn domheid een dwaling verkondigde. Hij beweerde namelijk: “Het brood dat wij nuttigen is niet echt het Lichaam van Christus, maar de voorstelling ervan”. Twee ouderlingen nu hoorden hem deze bewering uiten, maar omdat ze wisten dat hij een schoon leven leidde, meenden ze dat hij dat in onschuld en eenvoud zei. Zij gingen hem dan opzoeken en zeiden tot hem: “Abba, wij vernamen van iemand een ongelooflijke zaak. Hij zou gezegd hebben: Het brood dat wij nuttigen is niet echt het Lichaam van Christus, maar de voorstelling ervan”. De grijsaard zei: “Dat ben ik, die dat zegt”. Vermanend zeiden zij tot hem: “Ge moet dat niet zo verstaan, abba, maar zoals de katholieke kerk het heeft overgeleverd. Wij geloven namelijk dat hetzelfde brood het Lichaam van Christus is, en dat dezelfde kelk in waarheid het Bloed van Christus is, en niet maar een voorstelling. In de aanvang nam Hij stof van de aarde en vormde de mens naar zijn beeld, en niemand mag zeggen dat hij niet het beeld van God is, al gaat het ons begrip ook te boven. Welnu, op dezelfde manier geloven wij dat dit brood waarvan Hij zei: Dit is mijn Lichaam, naar waarheid het Lichaam van Christus is”. Maar de grijsaard zei: “Als ik niet door een feit overtuigd word, kan ik er niet mee instemmen”. Hierop zeiden zij tot hem: “Laten we God deze week bidden om dit geheim, dan vertrouwen wij erop dat God het ons openbaart”.

Dit voorstel nam de grijsaard met vreugde aan. En hij smeekte God aldus: “Heer, U weet dat ik niet uit boosheid niet geloof. Ik wil niet afdwalen door onkunde, en daarom, Heer Jezus Christus, geef mij een openbaring!” Ook de ouderIingen verspreidden zich over hun kIuizen en smeekten God aldus: “Heer Jezus Christus, openbaar aan de grijsaard dit geheim, dat hij mag geloven en dat zijn inspanningen niet verloren mogen zijn”.

En God verhoorde beide partijen. Toen namelijk de week ten einde was, gingen zij op zondag naar de kerk en daar stonden zij afgezonderd met hun drieën bijeen, de grijsaard in het midden, op één gebedsmat. En hun ogen werden geopend (Mt 9,30). Want op het ogenblik waarop het brood op de heilige tafel werd geplaatst, nam het, maar alleen voor de drie, de gestalte aan van een kindje. Vervolgens strekte de priester zijn hand uit om het brood te breken, en zie, een engel des Heren daalde uit de hemel neer met een mes, slachtte het kindje en Iiet het leegbloeden in de kelk. Daarna brak de priester het brood in kleine deeltjes, waarop ook de engel kleine delen van het kind afsneed. En toen men naar voren kwam om het Heilige te nuttigen, werd er alleen aan de grijsaard een stukje nog bloedend vlees gegeven. Maar op het gezicht ervan verschrok hij en riep luid: “Ik geloof, Heer, dat het brood uw Lichaam en de kelk uw Bloed is!” En op hetzelfde ogenblik werd het vlees in zijn hand brood, overeenkomstig het geloofsgeheim. Vol dankbaarheid nuttigde hij zijn God. En de ouderlingen zeiden tot hem: “God kent de natuur van de mens, Hij weet dat men geen rauw vlees kan eten. Daarom veranderde Hij zijn Lichaam in brood en zijn Bloed in wijn voor hen, die het in geloof ontvangen”. En zij brachten God dank omwille van de grijsaard, omdat Hij zijn inspanningen niet liet verloren gaan. En met vreugde keerden alle drie naar hun kluis terug.

8 (190)   Dezelfde abt Daniël vertelde eens het volgende van een andere grijsaard, die in Beneden-Egypte verblijf hield. Hij zei namelijk in zijn eenvoud dat Melchisedek de zoon van God was. Dit kwam de heilige Cyrillus, aartsbisschop van Alexandrië ter ore, en hij Iiet hem bij zich roepen. Omdat hij wist dat de grijsaard een wonderdoener was, dat God hem openbaarde wat hij Hem vroeg en dat hij die uitspraak gedaan had in zijn eenvoud, wendde hij deze Iist aan. Hij zei: “Abba, ik wou u vragen: mijn ene gedachte zegt me, dat Melchisedek de zoon van God is, en mijn andere zegt: Welneen, hij is een mens, een hogepriester van God. En nu verkeer ik daarover in twijfel. Daarom Iiet ik u roepen, om u te vragen God te bidden dat Hij het u mag openbaren”.

Steunend op zijn levenswandel gaf de grijsaard hem vrijmoedig ten antwoord: “Sta mij drie dagen toe om God daarover te ondervragen, dan zal ik u meedelen wat hij is”. Hij ging heen en bad tot God over deze kwestie. Na drie dagen kwam hij terug en zei tot de heilige Cyrillus: “Melchisedek is een mens”. Waarop de aartsbisschop hem vroeg: “Hoe weet u dat, abba?” Hij antwoordde: “God toonde me alle aartsvaders, de een na de ander ging me voorbij, vanaf Adam tot Melchisedek. En de engel van de Heer zei me: ‘Dit is Melchisedek’. Weest u er dus maar gerust op, dat het zo is”. Toen ging hij heen en verkondigde uit eigen beweging dat Melchisedek een mens is. En de heilige Cyrillus verheugde zich grotelijks.