Arsenius, abt

ABT ARSENIUS

Arsenius de Grote leefde van ongeveer 350 tot 445. Hij stamde uit een senatorengeslacht. Paus Damasus I wijdde hem tot diaken en op diens aanbeveling werd hij in 383 door keizer Theodosius naar het hof te Konstantinopel geroepen om de prinsen Arcadius en Honorius op te voeden. De tweeënveertigste spreuk geeft zijn portret en nadere bijzonderheden over zijn leven.

 

1 (39) Toen abt Arsenius nog aan het hof verbleef, bad hij eens aldus tot God: “Heer, leid mijn leven zo, dat ik gered word”. En er kwam een stem die tot hem sprak: “Arsenius, vlucht de mensen, dan word je gered”.

 

2 (40)   Toen hij zich afgezonderd had en leefde als monnik, bad hij eens hetzelfde woord nogmaals (vgl. Mt 26,44). En hij hoorde een stem tot hem zeggen: “Arsenius, vlucht, zwijg, bewaar de stilte. Want dat zijn de wortels van de zondeloosheid”.

 

3 (41)   Eens vielen de duivels abt Arsenius in zijn cel aan met hun kwelpartijen. En toen zijn dienaren er aankwamen, hoorden zij, nog buiten de cel staande, hem aldus tot God roepen: “God, laat me niet alleen (Ps 37/38,22). Niets goeds deed ik voor U, maar sta me in uw goedertierenheid toe te beginnen”.

 

4 (42) Men zei van hem dat, zoals aan het hof niemand een kostbaarder gewaad droeg dan hij, evenzo ook niemand in de kerk een goedkoper droeg dan hij.

 

5  (43)   lemand zei eens tegen de heilige Arsenius: “Hoe is het toch mogelijk dat wij, ondanks zoveel studie en kennis, niets goeds hebben, terwijl deze ongeletterde Egyptenaren zoveel deugden bezitten?” Abt Arsenius zei hem: “Wij hebben niets wegens onze studie om een goed leventje te leiden, maar deze ongeletterde Egyptenaren verwierven de deugden door hun boetvaardigheid”.

 

6 (44)  Eens vroeg abt Arsenius aan een Egyptische grijsaard iets over zijn gedachten, en iemand anders die hem gadesloeg zei: “Abba Arsenius, hoe kunt gij, die zoveel Romeinse en Griekse wetenschap bezit, deze ongeletterde vragen stellen over uw gedachten!” Maar hij zei tot hem: “Wel bezit ik de Romeinse en Griekse wetenschap, maar ik ken nog niet eens het abc van deze ongeletterde”.

 

7 (45)  Eens bracht zijne heiligheid de aartsbisschop Theofilus in gezelschap van een landvoogd een bezoek aan abt Arsenius, en hij verzocht de grijsaard een woord van hem te mogen horen. De grijsaard zweeg een wijle en vroeg toen van zijn kant aan hem: “En als ik u er een zeg, voert u het dan uit?” En zij beloofden het uit te voeren. Toen sprak de grijsaard tot hen: “Als u ergens Arsenius hoort noemen, blijft er vandaan!”

 

8 (46)  Toen de aartsbisschop hem een andere keer een bezoek wilde brengen, stuurde hij iemand vooruit om te weten of de grijsaard wel zou opendoen. En hij gaf hem deze verklaring: “Als u komt, doe ik voor u open; en als ik opendoe voor u, doe ik open voor iedereen, maar dan blijf ik hier niet meer zitten”. Op het horen hiervan zei de aartsbisschop: “Als ik hem door mijn komst verjaag, ga ik niet naar hem toe”.

 

9 (47)  Een broeder vroeg abt Arsenius een woord van hem te mogen horen. Toen zei hem de oudvader: “Streef ernaar met alle kracht waarover u beschikt, dat het werk in uw binnenste volgens God zij en de uitwendige driften mag overwinnen”.

 

10 (48)  Verder zei hij nog: Indien wij God zoeken, zal Hij zich aan ons vertonen; en indien wij Hem vasthouden, blijft Hij bij ons.

 

11 (49)  Iemand zei tegen abt Arsenius: Mijn gedachten hinderen me, want ze zeggen: “Jij bent niet in staat te vasten en te werken. Je moet alleen op ziekenbezoek gaan; dat is immers ook een liefdewerk”. Wetend echter wat de duivels zaaien, zei de grijsaard tot hem: “Keer terug; eet, drink en slaap zonder te werken, op één voorwaarde: verlaat je kluis niet”. Want hij wist dat volharding in de kluis de monnik in het rechte spoor brengt.

 

12 (50)  Abt Arsenius zei: Een monnik die op reis is in een vreemde streek, moet zich nergens mee bemoeien; dan voelt hij zich tevreden.

 

13 (51 )Eens zei abt Marcus tegen abt Arsenius: “Waarom ontvlucht u ons?” De grijsaard zei hem: “God weet dat ik u allen liefheb, maar ik kan onmogelijk tegelijkertijd met God en met de mensen verkeren. De duizenden en tienduizenden daarboven willen slechts één ding, maar de mensen willen vele dingen. Ik kan dus niet God verlaten en me onder de mensen begeven”.

 

14 (52)  Abt Daniël zei van abt Arsenius, dat hij de hele nacht wakend doorbracht. En wanneer hij dan tegen de morgen, vanwege de natuur zelf, begeerde te gaan slapen, zei hij tegen de slaap: “Kom hier, boze knecht!” en zittend nam hij een kort slaapje, om spoedig daarna weer op te staan.

 

15 (53) Abt Arsenius zei: Het volstaat voor de monnik één enkel uur te slapen om een strijder te zijn.

 

16 (54)  De oudvaders vertelden: Eens werd er in de Skêtis een kleine hoeveelheid gedroogde vijgjes gegeven en omdat ze maar onbeduidend waren, bracht men er niet van aan abt Arsenius om hem er niet door te beledigen. Maar toen de grijsaard het vernam, ging hij niet naar de gebedsdienst, want, zei hij, u hebt me buitengesloten door me niet de liefdegave te schenken die God de broeders heeft verleend en die ik niet waardig was te ontvangen. En allen vernamen het en trokken voordeel uit de nederigheid van de grijsaard. Toen ging de priester naar buiten, bracht hem de gedroogde vijgjes en leidde hem met vreugde naar de gebedsdienst.

 

17 (55) Abt Daniël zei: Al de jaren die hij onder ons woonde, brachten we hem elk jaar slechts één mand graan en wanneer we bij hem op bezoek kwamen, aten we ervan.

 

18  (56)  Verder zei hij nog dit over abt Arsenius: Eén keer per jaar ververste hij het water voor de palmbladeren, voor de rest vulde hij het slechts bij. Hij vlocht nameiijk touw en hij knoopte tot het zesde uur. De oudvaders vroegen hem eens: “Waarom ververst u het water voor de palmbladeren niet, want het stinkt?” En hij zei hun: “In ruil voor de reukwerken en de geurige kruiden waarvan ik genoot in de wereld, moet ik deze stank aanvaarden”.

 

19 (57) Verder zei   hij: Toen  hij eens hoorde dat alle soorten fruit rijp waren, zei hij uit zichzelf: “Brengt ze me!” En dan proefde hij slechts éénmaal een beetje van elke soort, God dankzeggend.

 

20 (58) Eens werd abt Arsenius in de Skêtis ziek en hij had zelfs niet één enkele linnen doek ter beschikking. En omdat hij ook het geld niet had om er een te kopen, aanvaardde hij van iemand een aalmoes en hij sprak: “Ik dank U, Heer, dat U me waardig geacht hebt een aalmoes te ontvangen omwille van uw Naam”.

 

21 (59) Men vertelde van hem:  Zijn kluis lag op een afstand van tweeëndertig mijl en hij verliet haar niet gauw, want anderen kwamen hem bedienen. Maar toen de Skêtis ontvolkt werd ging hij heen en zei wenend: “De wereld heeft Rome verloren en de monniken de Skêtis.

 

22 (60)   Abt Marcus vroeg abt Arsenius eens het volgende: “Is het wel goed in zijn kluis niets voor zijn genoegen te hebben? Ik zag namelijk dat een broeder die enkele groenten gekweekt had ze stond uit te trekken”. En abt Arsenius sprak: “Het is wel goed, maar het hangt af van de gesteldheid van de persoon. Want als hij bij een dergelijke handelwijze niet sterk staat, plant hij weer nieuwe”.

 

23 (61)   Daniël, leerling van abt Arsenius, verhaalde: Op zekere keer bevond ik me in de nabijheid van abt Alexander, toen pijn hem aangreep. Van pijn strekte hij de armen uit, het hoofd achterover. Toevallig echter kwam de heilige Arsenius hem spreken en hij zag hem staan met uitgestrekte armen. Na afloop van het gesprek zei hij hem:  “En wie was die wereldling die ik  hier zag staan?” Abt Alexander zei hem: “Waar zag u hem dan?” En hij zei: “Bij het afdalen van de berg viel mijn oog op de grot hier en ik zag iemand met uitgestrekte armen staan, het hoofd achterover”. Toen maakte hij een buiging ter verontschuldiging voor hem en zei: “Neemt u me niet kwalijk, dat was ik. Pijn had me aangegrepen”. En de grijsaard zei hem: “Dat was u toch niet? Neen maar! Ik dacht dat het een wereldling was; en daarom heb ik die vraag gesteld”.

 

24 (62) Een andere keer zei abt Arsenius tegen abt Alexander: “Wanneer u klaar bent met het splitsen van uw palmbladeren, kom dan bij mij eten; maar komen er gasten, eet dan met hen”. Abt Alexander nu werkte kalm en bedaard verder en toen het tijd was, had hij nog palmbladeren te doen. En omdat hij het woord van de grijsaard wilde volbrengen, bleef hij de takken afmaken. Toen abt Arsenius echter bemerkte dat hij wegbleef, ging hij eten in de mening dat hij wellicht gasten had gekregen. Toen abt Alexander dan klaar was, keerde hij in de avond huiswaarts. En de grijsaard zei hem: “Hebt u gasten gekregen?” Hij antwoordde: “Welneen”. En hij weer: “Waarom bent u dan niet gekomen?” Hij gaf ten antwoord: “Omdat u me gezegd hebt: ‘Wanneer u klaar bent met het splitsen van uw palmbladeren, kom dan’. En omdat ik uw woord wilde volbrengen, kwam ik niet, want nu pas heb ik ze af”. Toen stond de grijsaard verbaasd over zijn stiptheid en zei hem: “Neem gauw wat rust om uw gebeden zonder gejaagdheid te verrichten (vgl. Lc 17,7) en uw pap te nuttigen; want anders kon u wel eens ziek worden”.

 

25 (63)   Eens kwam abt Arsenius op een plaats waar het riet stond te ruisen op de wind (vgl. Mt 11,7) en de oudvader zei tot de broeders: “Wat is dat voor een geruis?” En ze zeiden hem: “Dat is het riet”. Toen sprak de grijsaard tot hen: “Ja, waarlijk, wie in stilte wenst neer te zitten en het tjilpen van een mus hoort, heeft in zijn hart niet dezelfde stilte meer. Hoeveel te meer dan gij, die dat riet hoort ruisen”.

 

26 (64)   Abt Daniël vertelde: Enkele broeders zouden naar Thêbais gaan voor (het inkopen van) vlasdraden en ze zeiden: “Laten wij bij die gelegenheid tevens een bezoek brengen aan abt Arsenius”. En abt Alexander kwam bij de grijsaard binnen en zei: “Er zijn broeders uit Alexandrië aangekomen, zij willen u zien”. De grijsaard antwoordde: “Hoor eens van hen wat de reden is van hun komst”. En toen hij vernam dat ze voor vlasdraden naar Thêbais gingen, bracht hij het de oudvader over. Toen sprak deze: “Ja waarlijk, zij krijgen het gezicht van Arsenius niet te zien, want ze zijn niet voor mij gekomen, maar voor hun werk. Laat hen wat uitrusten en laat hen vertrekken in vrede, en zeg hun dat de grijsaard niet in staat is hen te begroeten”.

 

27 (65)  Een broeder ging eens naar de kluis van abt Arsenius in de Skêtis en toen hij door de vensteropening keek, zag hij in een visioen de grijsaard geheel als van vuur. De broeder was namelijk waardig dit te mogen zien. Toen hij aanklopte, kwam de grijsaard naar buiten. Hij zag de broeder buiten zichzelf van verbazing en zei tot hem: “Staat u al lang te kloppen? U hebt toch niets bijzonders hier gezien?” En hij zei: “Welneen”. En na zich met hem onderhouden te hebben, liet hij hem vertrekken.

 

28  (66)    In de tijd dat abt Arsenius te Kanopos woonde, ging een schatrijke en godvrezende jongedame van senatorenstand op haar eentje op reis van Rome om hem te bezoeken. Toen zij nu te gast was bij aartsbisschop Theofilus, verzocht zij hem de grijsaard te bewegen haar te ontvangen. Hij ging naar hem toe en vroeg het hem aldus: “De senatorendochter, mejuffrouw X., is uit Rome gekomen en verlangt u te spreken”. Maar de grijsaard weigerde haar te begroeten. Toen haar dan die boodschap werd overgebracht, liet zij de lastdieren zadelen en zei: “Ik vertrouw het aan God toe hem te spreken. Want ik ben niet gekomen om een mens te zien. Mensen zijn er ook in onze, stad genoeg. Maar ik ben gekomen om een profeet te zien (vgl. Mt 11,8-9)”.

Toen zij nu dicht bij de kluis van de grijsaard was gekomen, bevond de oudvader zich toevallig, door een beschikking Gods, buiten zijn kluis. Zodra zij hem ontwaarde, viel zij voor zijn voeten neer, maar vertoornd liet hij haar opstaan, en haar strak aanziende zei hij: “U verlangt mijn gezicht te zien, welnu, kijk dan!” Maar zij stond zo beschaamd, dat zij zijn gelaat niet aandachtig aanschouwde. Toen zei de grijsaard haar: “Hebt u niet van mijn werken gehoord? Daar moet men naar zien. En hoe hebt u het gewaagd zo een grote zeereis te maken? Weet u dan niet dat u een vrouw bent? U behoort helemaal niet op reis te gaan. Of bent u van Rome vertrokken om aan de andere vrouwen te kunnen zeggen: ‘Ik heb Arsenius gezien’, en dat de zee druk bevaren wordt door vrouwen, die naar me toekomen?” Zij zei toen: “Als de Heer het zo wil, laat ik niemand hierheen gaan. Maar bid voor mij en wees mij altijd indachtig”. Maar hierop wedervoer hij: “Ik bid tot God dat Hij de herinnering aan u uit mijn hart mag wegwissen”. Toen ze dat hoorde, vertrok ze, geheel overstuur.

En in de stad aangekomen, kreeg ze koorts van verdriet. En men berichtte aan zijne heiligheid de aartsbisschop Theofilus dat zij ziek was. Bij haar gekomen, vroeg hij of hij mocht horen wat haar scheelde. En zij zei hem: “Was ik maar niet hierheen gekomen. Ik zei namelijk tegen de grijsaard. ‘Wees me indachtig’. Maar hij zei: ‘Ik bid tot God dat Hij de herinnering aan u uit mijn hart mag wegwissen’. En ik, ik ga dood van verdriet”. Toen sprak de aartsbisschop tot haar: “Maar weet u dan niet dat u een vrouw bent en dat door de vrouwen de vijand de heiligen bestrijdt? Daarom sprak de grijsaard aldus. Want voor uw ziel bidt hij te allen tijde”. En zo werd haar geest genezen en zij keerde huiswaarts, vol van vreugde.

 

29 (67)  Abt Daniël vertelde van abt Arsenius: Op zekere dag kwam een hooggeplaatst ambtenaar hem het testament brengen van een bloedverwant van hem uit de senatorenstand, die hem een aanzienlijke erfenis naliet. Hij nu nam het in zijn handen en wilde het verscheuren. Maar de officier viel hem te voet en zei: “Ik smeek u, verscheur het niet, want dat kost me mijn hoofd!” Toen zei hem abt Arsenius: “Ik was al dood voor hem; hij is nu pas gestorven”. En hij liet het terugbrengen zonder iets te hebben aanvaard.

 

30 (68) Verder vertelde men van hem: Zaterdagavond, bij het aanbreken van de zondag, plaatste hij zich met de zon in de rug, om met de handen ten hemel uitgestrekt te bidden totdat de zon hem weer in het gelaat scheen. En daarna was hij gezeten.

 

31 (69) Men vertelde van abt Arsenius en abt Theodorus van Fermê: Meer dan wie ook verfoeiden zij de menselijke eer. Abt Arsenius sprak niet licht iemand aan, terwijl abt Theodorus wel iemand aansprak maar dan was als een zwaard.

 

32 (70)  Toen abt Arsenius nog verbleef in de lagere gewesten (van Egypte) werd hij daar gehinderd en besloot zijn kluis te verlaten. Zonder er iets uit mee te nemen, begaf hij zich naar zijn leerlingen Alexander en Zoïlos, twee Faranieten. Daarop zei hij tot Alexander: “Sta op en vaar de rivier op”. En zo deed hij. En tegen Zoïlos zei hij: “Ga met me mee naar de rivier en zoek een boot die mij naar Alexandrië vaart. Vaart u dan ook de rivier op en voeg u bij uw broeder”. Op dit woord ontstelde Zoïlos, maar hij zweeg. En zo scheidden ze van elkaar. Aangekomen in het gebied van Alexandrië werd de grijsaard daar zwaar ziek. Zijn dienaren nu zeiden tegen elkaar: “Zou iemand van ons de grijsaard misschien verdriet  hebben aangedaan, dat hij daarom van ons gescheiden is?” Maar zij vonden niets bij zichzelf, evenmin dat zij hem ooit ongehoorzaam waren geweest.

Toen nu de grijsaard hersteld was, zei hij: “Ik ga naar mijn vaders”. Hij voer dus de rivier op en bereikte Petra, waar zijn dienaren verbleven. En toen hij nog niet ver van de rivier af was, kwam een Ethiopisch meisje op hem af en trok hem aan zijn mantel. Maar de oudvader berispte haar, waarop het meisje tot hem zei: “Als je een monnik bent, ga dan de berg op”. Beschaamd door deze woorden, bleef de grijsaard bij zichzelf herhalen: “Arsenius, als je een monnik bent, ga dan de berg op”. En op dat ogenblik kwamen Alexander en Zoïlos hem tegen. En toen zij zich voor zijn voeten neerwierpen, wierp ook de grijsaard zich ter aarde en allen weenden. Toen sprak de grijsaard: “Hebt u niet gehoord, dat ik ziek ben geweest?” En zij zeiden hem: “Jazeker”. Waarop de grijsaard: “En waarom bent u me dan niet komen opzoeken?” En abt Alexander zei: “Uw heengaan van ons was niet gegrond, en velen waren erdoor ontsticht zeggende: Als zij de oudvader niet ongehoorzaam waren geweest, zou hij zich zeker niet van hen gescheiden hebben”. Hij zei hun: “Maar nu zullen de mensen zeggen: De duif vond geen rustplaats voor haar pootjes en keerde naar Noë in de ark terug” (vgl. Gn 8,9). En daarna verzoenden zij zich met elkaar en hij woonde bij hen tot aan zijn dood.

 

33 (71 ) Abt Daniël zei:  Abt Arsenius verhaalde ons eens het volgende als betrof het een ander, maar waarschijnlijk was hij het zelf. Toen een grijsaard eens in zijn kluis gezeten was, weerklonk er een stem die zei: “Kom mee, dan zal ik u de werken van de mensen tonen”. En hij stond op en ging naar buiten. En hij bracht hem naar een of andere plaats en toonde hem een Ethiopiër, die bezig was met hout hakken en een grote stapel maakte. Hij probeerde hem op te tillen, maar vermocht het niet. En in plaats van er nu iets van af te halen, ging hij door met hout hakken en vergrootte de stapel. En dit deed hij lange tijd. En een beetje verderop toonde hij hem een man die bij een put stond, er water uit schepte en het overgoot in een bak met een gat erin, waardoor hetzelfde water weer in de put stroomde.

En opnieuw zei hij hem: “Kom mee, ik zal u iets anders tonen”. En hij aanschouwde een tempel en twee mannen, gezeten te paard, die een balk tussen hen in droegen, de een naast de ander. Zij nu wilden binnengaan door de poort, maar zij konden het niet omdat de balk dwars lag. En de een wilde niet de mindere zijn van de ander, door achter hem de balk in de lengterichting te dragen en zodoende bleven zij buiten de poort. “Dit zijn zij, sprak hij, die het juk der gerechtigheid, om het zo eens te zeggen, dragen met hoogmoed,  die zich niet hebben vernederd om zichzelf te verbeteren en om de nederige weg van Christus te gaan. Daarom blijven zij dan ook buiten het Rijk Gods. Degene die hout stond te hakken, is de mens die in vele zonden leeft en in plaats van zich te bekeren, op zijn zonden nog andere ongerechtigheden stapelt. En hij die water putte, is de mens die weliswaar goede werken verricht, maar aangezien hij ze vermengde met boosheid,  verloor hij tegelijkertijd ook zijn goede werken. Elke mens moet dus waken over zijn werken, opdat hij niet tevergeefs zwoegt (Fil 2,16)”.

 

34 (72)  Dezelfde (abt Daniël) vertelde het volgende. Eens kwamen enkelen van de Vaders uit Alexandrië om abt Arsenius te bezoeken. Een van hen nu was de oom van de vroegere aartsbisschop van Alexandrië, Timotheüs, bijgenaamd de ‘bezitloze’ en hij was vergezeld van een neef van hem. De grijsaard was toen evenwel ziek en hij wilde hen niet begroeten, opdat er niet nog anderen zouden komen en hem last bezorgen. Hij verbleef toen op de rots van Troë. Zij nu keerden treurig terug. Daarna had er een inval van barbaren plaats en hij verhuisde naar lagere oorden. Toen zij dit vernamen, gingen zij hem opnieuw bezoeken en vreugdevol ontving hij hen. De broeder die bij hen was, zei hem. “Weet u niet, abba, dat wij u zijn komen bezoeken in Troë en dat u ons niet ontving?” Toen zei de grijsaard: “U hebt brood genuttigd en water gedronken, maar waarlijk, mijn kind, ik heb geen brood en geen water geproefd, zelfs ben ik niet gaan zitten, om mezelf te bestraffen, totdat ik er zeker van was dat u ter bestemden plaatse was aangekomen, want ook gij hebt u uitgesloofd om mijnentwille. En nu, broeders, vergeeft het me!” En getroost gingen zij heen.

 

35 (73) Dezelfde zei: Op zekere dag riep abt Arsenius mij en zei: “Breng uw vader eens een verkwikking, opdat hij, vertrokken naar de Heer, voor u ten beste spreekt en het u goed gaat”.

 

36 (74)  Men zei van abt Arsenius: Eens werd hij ziek in de Skêtis en de priester ging uit, bracht hem naar de kerk en legde hem op een huidendeken met een klein kussen onder zijn hoofd. Juist op dat ogenblik kwam een van de oudvaders hem bezoeken, maar toen hij hem op de huidendeken zag en het kussentje onder zijn hoofd opmerkte, ergerde hij zich en sprak: “Deze man, is dat abt Arsenius? En ligt hij daarop?” Toen nam de priester hem terzijde en zei: “Wat voor werk deed u in uw dorp?” Hij zei: “Ik was herder”. “En hoe, zei hij, was uw dagelijks bestaan?” En hij zei: “Mijn bestaan was zeer hard”. En hij sprak: “En tegenwoordig, hoe is uw bestaan nu in uw kluis?” En hij zei: “Daar heb ik het veel gemakkelijker”. Toen sprak hij tot hem: “Ziet u daar abt Arsenius? Vader van keizers was hij in de wereld. Duizend slaven met gouden gordels om, allen met sieraden om de hals en gestoken in zijde, stonden hem ten dienste en hijzelf lag op dure rustbedden. U daarentegen als herder had in de wereld niet de gemakken, die u nu hebt, maar hij beschikt hier niet over de luxe, die hij in de wereld genoot. Kijk, u hebt het gemakkelijk en hij mat zich af”. Toen hij dat hoorde, stond hij beschaamd, hij wierp zich ter aarde en sprak: “Vergeef me, abba, ik heb gezondigd. Waarlijk, dat is de ware weg; hij kwam tot een nederige staat, ik daarentegen tot een gemakkelijke”. En met rijke vrucht ging de oudvader heen.

 

37 (75)  Een van de Vaders ging eens naar abt Arsenius toe. En toen hij op de deur klopte, deed de grijsaard open in de mening dat het zijn dienaar was. Maar ziende dat het iemand anders was, viel hij plat ter aarde. De eerstgenoemde sprak tot hem: “Sta op, abba, dan kan ik u omhelzen”. En de grijsaard zei hem: “Ik richt mij niet op, voordat u bent heengegaan”. En hoewel het hem vele keren gevraagd werd, stond hij pas op toen hij was heengegaan.

 

38 (76)
a) Men vertelde van een broeder die abt Arsenius in de Skêtis was komen bezoeken: Hij betrad de kerk en verzocht de geestelijkheid om een onderhoud met abt Arsenius. Zij zeiden hem: “Gebruik een kleinigheid, broeder, daarna kunt u hem spreken”. Maar hij zei: “Ik neem niets tot me voordat ik hem begroet heb”. Ze ontboden daarom een broeder, die hem tevreden moest stellen, want de kluis lag veraf. Zij klopten op de deur en gingen naar binnen. Dan omhelsden zij de grijsaard en namen plaats; en zij zwegen. De broeder van de kerk zei: “Ik ga weer; bid voor mij”. Maar de broeder die te gast was en zich voor de grijsaard niet durfde uitspreken, zei tot zijn broeder: “En ik ga met u mee”. En zij gingen samen naar buiten. Toen verzocht hij hem: “Breng me ook naar abt Mozes, de vroegere rover”. Zij kwamen bij hem en hij ontving hem vol vreugde. En na hun gastvrijheid te hebben bewezen, liet hij hen vertrekken. Toen sprak de broeder die hem begeleidde tot hem: “Zie, ik heb u naar de vreemdeling en naar de Egyptenaar gebracht. Wie van de twee beviel u nu?” Hij antwoordde: “Aan mij beviel tenslotte de Egyptenaar”.
b) Een van de Vaders vernam dit en hij bad tot God aldus: “Heer, maak me deze zaak duidelijk. Want de een keert zich af omwille van uw Naam, terwijl de ander met open armen ontvangt omwille van uw Naam”. En zie, er verschenen hem twee grote vaartuigen op de rivier en hij aanschouwde abt Arsenius en de Geest Gods doodstil varende op het ene, en abt Mozes en de engelen Gods varende op het andere schip, terwijl zij hem honingraat te eten gaven.

 

39 (77)  Abt Daniël zei: Op het punt te sterven gaf abt Arsenius ons deze opdracht mee: “Maakt u geen zorgen over liefdemalen voor mij. Want mocht ik reeds een liefdemaal voor mezelf hebben aangericht, dan zal ik dat ook vinden”.

 

40 (78) a) Toen abt Arsenius ging sterven, geraakten zijn leerlingen in ontsteltenis. En hij zei hun: Het uur is nog niet aangebroken (Joh 7,30), maar wanneer het uur aanbreekt (Joh 16,4), zeg ik het u wel. Ik zal echter tezamen met u terecht moeten staan voor de rechterstoel van de Vreeswekkende, indien ge mijn lijk aan iemand uitlevert”. Zij zeiden: “Wat moeten we dan doen, want we weten niet hoe we iemand begraven moeten?” En de grijsaard zei hun: “Kunt u soms geen touw aan mijn voet binden en me de berg optrekken?”
b) Dit was de zin, die de grijsaard altijd in de mond lag: “Arsenius, waarom ben je weggegaan (uit de wereld)?” (En ook deze zin): “Van mijn spreken heb ik dikwijls spijt gehad, maar van mijn zwijgen nooit”.
c) Toen hij het sterven nabij was, zagen zijn broeders hem wenen en zij zeiden tot hem: “Waarachtig, bent ook u bang, Vader?” En hij zei hun: “Waarachtig, de vrees die ik nu voel, heb ik al sinds ik monnik werd”. En toen ontsliep hij.

41 (79) a) Ook zei men van hem: Heel zijn leven lang had hij, wanneer hij zat te werken, een doek op zijn schoot, omwille van de tranen die uit zijn ogen vloeiden.
b) Toen abt Poimên vernam dat hij ontslapen was, weende hij dan ook en zei: “Zalig zijt gij, abt Arsenius, dat ge uzelf beweend hebt in deze wereld, want wie zich niet op aarde beweent, zal eeuwig daarginds wenen”. En derhalve, of het nu hier vrijwillig is of ginds vanwege de kwellingen, onmogelijk stelt men het zonder wenen.

 

42 (80) a) Abt Daniël vertelde van hem: Nooit wilde hij uitspraak doen in een twistvraag over de Schrift, hoewel hij het best had gekund, indien hij het wilde. Evenmin zette hij zich gauw aan het schrijven van een brief.

  1. b) En wanneer hij van tijd tot tijd in de kerk kwam, bleef hij achter een pilaar zitten, opdat niemand zijn gelaat zou zien en zijn oog op niets anders zou vallen.
  2. e) Zijn voorkomen nu was, gelijk het voorkomen van Jakob, als dat van een engel. Hij was helemaal grijs en elegant van gestalte, hoewel mager. Verder droeg hij een lange baard, die tot de buik reikte. Zijn oogharen waren uitgevallen van het wenen. Hij was rijzig maar liep gebogen van ouderdom. Hij werd vijfennegentig jaar oud. Hij bracht aan het hof van Theodosius de Grote, goddelijker gedachtenis, veertig jaar door en was daar de vader van de allergoddelijkste Arcadius en Honorius. Ook in de Skêtis bracht hij veertig jaar door. Dan nog tien jaar in Troê boven Babylon ter hoogte van Memfis en drie jaar te Kanopos bij Alexandrië. Wat de twee resterende jaren betreft, hij ging weer naar Troê en daar ontsliep hij, na in vrede en de vreze Gods zijn loop voleind te hebben, want hij was een rechtvaardig man, vol van de Heilige Geest en van geloof (Hnd 11,24).
  3. d) Aan mij evenwel liet hij zijn leren mantel na, zijn wit, haren onderkleed en zijn van palmvezels gevlochten sandalen. En ik, onwaardige, heb ze gedragen om zegen over me af te trekken.

43 (81)   Verder vertelde abt Daniël over abt Arsenius: Eens riep hij mijn Vaders, de abten Alexander en Zoïlos en zich vernederend zei hij hun: “Aangezien de duivels me beoorlogen en ik niet weet of ze me tijdens mijn slaap zullen vangen, spant u in om tenminste deze nacht met me te waken en houdt me goed in de gaten of ik in de nachtwake niet zit te dommelen”. En de een nam rechts en de ander links van hem plaats, in diep stilzwijgen vanaf de avond. Mijn Vaders nu zeiden. “Wij zijn in slaap gevallen en opgestaan zonder bemerkt te hebben of hij ingedommeld was. En tegen de morgen – God weet of hij het van zichzelf zei, opdat we zouden denken dat hij ingedommeld was, of dat de echte slaap werkelijk gekomen was – slaakte hij drie zuchten, stond onmiddellijk op en zei: Nu ben ik toch werkelijk ingedommeld! Wij echter antwoordden: Dat weten we niet”.

44 (82)  Op een keer kwamen enkele oudvaders bij abt Arsenius en verzochten met aandrang om een onderhoud met hem. En hij deed voor hen open. Dan verzochten ze hem om een woord met betrekking tot hen die in stilte leven en met niemand spreken. De grijsaard zei hun. “Zolang het meisje nog woont in het huis van haar vader, willen velen haar huwen. Maar wanneer ze eenmaal een man genomen heeft, bevalt zij niet aan elkeen. Sommigen minachten haar, anderen prijzen haar. En dan geniet zij niet meer het aanzien zoals vroeger, toen zij nog in verborgenheid leefde. Zo staat het ook met de eigenschappen van de ziel. Komen zij in het openbaar, dan vermogen zij niet iedereen tevreden te stellen.