Antonius, abt

de letter alfa

DE HEILIGE ANTONIUS DE GROTE

De heilige Antonius leefde van 251 tot 356. Zijn leven werd, terstond na zijn dood, beschreven door de heilige Athanasius. Antonius ‘ontdekte’ de woestijn als geestelijk strijdperk. Hij is aldus de Vader van de woestijnmonniken geworden. Daarom begint de verzameling spreuken ook met hem en ontvangt hij in het opschrift twee predikaten, die afwijken van de gewone: in plaats van abt, staat er nu: de heilige, en tevens wordt hij de Grote bijgenaamd. In deze spreuken treedt Antonius op ons toe als een persoonlijkheid, verstandig, menselijk en origineel.

1 (1 ) Toen de heilige abt Antonius in de woestijn verbleef, overvielen hem eens lusteloosheid en zeer sombere gedachten. En hij sprak tot God: “Heer, ik wil gered worden en mijn gedachten staan het me niet toe. Wat moet ik in mijn kwelling doen? Hoe kan ik toch gered worden?” En hij stond even op, ging naar buiten, en toen zag Antonius iemand gelijk hij zelf die zat te werken, dan van zijn werk opstond en bad, en weer ging zitten om aan zijn snoer te vlechten, om daarna opnieuw op te staan om te bidden. Het was nu een engel van de Heer, uitgezonden om Antonius terecht te wijzen en gerust te stellen. En hij hoorde de engel zeggen: “Doe zo en u wordt gered”. En het horen hiervan schonk hem grote vreugde en moed. En hij deed aldus en werd gered.

[abt, abba of abbas betekent vader]

2 (2)  Dezelfde abt Antonius staarde eens in de diepte van Gods oordelen (vgl. Rom 11,33) en hij vroeg: “Heer, hoe komt het dat sommigen na een kort leven sterven, terwijl anderen zeer oud worden? En waarom lijden sommigen gebrek, terwijl anderen rijk zijn? En hoe komt het dat onrechtvaardigen rijk zijn, terwijl rechtvaardigen gebrek lijden?” En er kwam een stem die tot hem sprak: “Antonius, let op, uzelf! Want dit zijn Gods oordelen, en het dient u nergens toe ze te weten te komen”.

3 (3)  Iemand vroeg eens aan abt Antonius: “Wat moet ik onderhouden om aan God te behagen?” En de grijsaard gaf hem ten antwoord: “Wat ik u opdraag, onderhoud dat. Waar u ook heengaat, houd immer God voor ogen. En wat u ook doet of zegt, zorg dat u een getuigenis hebt uit de Heilige Schriften. En op welke plaats u zich neerlaat, verander niet te gauw. Onderhoud deze drie zaken, en u wordt gered”.

4 (4) Abt Antonius sprak tot abt Poimên: ” ’s Mensen grote opgave bestaat hierin dat hij zijn eigen misslagen onder Gods ogen aan zichzelf wijt en dat hij beproevingen verwacht tot aan zijn laatste ademtocht”.

5 (5)  Eveneens sprak hij: “Zonder beproevingen zal niemand het Rijk der hemelen kunnen binnengaan”. Neem de beproevingen weg, zei hij immers, en niemand wordt gered.

6 (6)  Abt Pambo vroeg aan abt Antonius: “Wat moet ik doen?” De grijsaard zei hem: “Vertrouw niet op uw gerechtigheid, treur niet over iets wat voorbij is, en leer uw tong en uw buik in uw macht te houden”.

[Grijsaard, vergrijsd, ervaren in het geestelijke, niet noodzakelijk in jaren. We kunnen het ook weergeven met oudvader.]

7 (7) Abt Antonius zei: Ik zag alle strikken van de vijand uitgespannen over de aarde en zuchtend sprak ik: “Wie komt daar nog langs?” En ik hoorde een stem tot me zeggen: “De nederige”.

8 (8) Verder sprak hij: Er zijn er die hun lichaam door gestrengheid afbeulen, en toch, omdat ze geen onderscheid wisten te maken, ver van God af stonden.

9 (9) Verder sprak hij: Van de naaste hangen af leven en dood. Want als we onze broeder winnen, winnen we God, maar als we onze broeder ergeren, zondigen we jegens Christus (vgl. 1 Kor 8,12).

10 (10)  Verder sprak hij: Zoals de vissen, die lang op het droge liggen, sterven, zo verslappen ook de monniken, die lang buiten hun kluis vertoeven of hun tijd met wereldlingen verdoen, in de spanning van hun rust. Zoals dus de vissen zich reppen naar de zee, zo moeten ook wij ons reppen naar onze kluis, om niet, als we lang buiten blijven, onze waakzaamheid van binnen te vergeten.

11 (11 ) Verder zei hij: Wie neerzit in de woestijn en de rust beoefent, wordt bevrijd van drie bekoringen: die van het gehoor, die van de spraak en die van het gezicht. Met één heeft hij het nog maar te stellen, die van het hart.

12 (12)  Enkele broeders brachten abt Antonius een bezoek om hem de gezichten, die ze gekregen hadden, mee te delen en van hem te weten te komen of ze echt of van de duivels waren. Nu hadden ze een ezel, die onderweg was dood gegaan. Toen ze nu bij de grijsaard waren aangekomen, was hij hun voor en vroeg: “Waarvan is dat ezeltje onderweg doodgegaan?” Zij zeiden hem: “Hoe weet u dat, abba?” En hij sprak tot hen: “De duivels lieten het me zien”. En zij weer: “Daarvoor zijn we juist gekomen om u dat te vragen. Wij krijgen namelijk gezichten, en dikwijls komen ze uit. Maar wij zouden niet graag bedrogen worden”. Toen overtuigde de grijsaard hen met het bewijs aangaande de ezel, dat ze van de duivels komen.

13 (13)  Iemand die in de woestijn op wilde dieren jacht maakte, zag abt Antonius bezig met zijn broeders plezier te maken, en hij was geërgerd. De grijsaard nu wilde hem ervan overtuigen, dat men zijn broeders zo nu en dan moet toegeven, en hij zei hem: “Leg eens een pijl op uw boog en span hem”. En hij deed het. Hij zei: “Span hem verder”. En hij spande hem. En opnieuw zei hij: “Spannen!” Toen sprak de jager tot hem: “Als ik de boog bovenmate span, breekt hij”. Toen sprak de grijsaard tot hem: “Zo gaat het ook met het werk Gods. Als wij bovenmatig gestreng optreden tegen de broeders, kunnen zij wel eens breken. Dus moet men de broeders zo nu en dan toegeven”. Toen de jager dit hoorde, schaamde hij zich. Hij had veel van de grijsaard geleerd, en vertrok. Ook de broeders waren gesterkt, en keerden naar hun woonplaats terug.

14 (14)   Abt Antonius vernam over een jonge monnik dat hij onderweg een wonder verricht had. Want toen hij had opgemerkt dat sommige ouderlingen met veel moeite langs de weg voorttrokken, had hij aan wilde ezels bevel gegeven te komen en de ouderlingen te dragen tot ze bij Antonius waren aangekomen. De ouderlingen brachten deze gebeurtenis dus over aan abt Antonius. En hij sprak tot hen: “Het komt me voor dat deze monnik een schip is vol goede zaken, maar ik weet niet of het de haven wel bereiken zal”. En een tijd later begon abt Antonius plotseling te wenen, zich de haren uit te trekken en te jammeren. Zijn leerlingen zeiden hem dan: “Waarom weent u, abba?” En de grijsaard antwoordde hun: “Zojuist is een grote zuil van de Kerk gevallen (en daarmee bedoelde hij de jonge monnik). Gaat naar hem toe en ziet wat er gebeurd is”. De leerlingen gingen er dus heen en troffen de monnik aan, gezeten op een matje, terwijl hij de zonde die hij bedreven had, beweende. Toen hij de leerlingen van de grijsaard gewaarwerd, zei hij: “Gaat de grijsaard zeggen dat hij God smeekt om me slechts tien dagen toe te staan. Ik hoop dan genoegdoening te hebben aangeboden”. En binnen de vijf dagen stierf hij.

15 (15)  Een monnik werd door de broeders geprezen in het bijzijn van abt Antonius. Maar deze stelde hem, toen hij een verzoek van hem kreeg, op de proef of hij oneer verdroeg. En bevindend dat hij daar niet tegen kon, sprak hij tot hem: “U gelijkt op een dorp, dat aan de voorzijde er fraai uitziet, maar aan de achterzijde door dieven wordt leeggeplunderd”.

16 (16)  Een broeder zei tegen abt Antonius: “Bid voor mij”. De grijsaard antwoordde hem: “Ik heb geen medelijden met u, en God ook niet, als uzelf niet uw best doet en niet tot God bidt”.

17 (17)  Eens brachten ouderlingen abt Antonius een bezoek, toen abt Jozef bij hem zat. De grijsaard wilde hen op de proef stellen. Hij legde hun een woord uit de Schrift voor en ving bij de jongeren aan te vragen wat dat woord betekende. En elkeen sprak naar best vermogen. Maar de grijsaard zei tegen ieder: “U hebt het nog niet gevonden”.  En na allen sprak hij ten laatste tot abt Jozef: “U, hoe verklaart u dat woord?” En hij antwoordde: “Ik weet het niet”. Daarop zei abt Antonius: “Juist, abt Jozef heeft de weg gevonden, want hij zei: ‘Ik weet het niet’ “.

18 (18)  Eens gingen broeders abt Antonius een bezoek brengen vanuit de Skêtis. Op hun tocht naar hem toe namen zij de boot en troffen er een grijsaard aan die er eveneens wilde heengaan, maar de broeders herkenden hem niet. Terwijl ze nu op de boot zaten, hadden zij het over woorden van de Vaders en uit de Schrift, en dan weer over hun handwerk. En de grijsaard zat er zwijgend bij. Aangekomen aan de landingssteiger bleek ook de grijsaard naar abt Antonius te gaan. Toen ze bij hem aankwamen, sprak hij tot hen: “U hebt een goed reisgezelschap gehad in deze grijsaard”. En tot de grijsaard sprak hij: “Goede broeders hebt u aangetroffen, abba”. De grijsaard zei: “Goed zijn ze wel, maar hun hoeve heeft geen deur, en wie wil gaat de stal binnen en maakt de ezel los”. Dit nu zei hij, omdat ze maar spraken wat hun voor de mond kwam.

19 (19)  Eens kwamen broeders bij abt Antonius en zeiden hem: “Zeg ons een woord tot onze redding”. De grijsaard sprak tot hen: “Hebt u naar de Schrift geluisterd? Zij geeft juist wat u nodig hebt”. Maar zij zeiden: “Ook van u willen wij het horen, vader”. Daarop sprak de grijsaard tot hen: “Het Evangelie zegt: Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe (Mt 5,39)”. Zij zeiden hem: “Dat kunnen we niet volbrengen”. De grijsaard zei hun: “Als u de andere dan niet kunt toekeren, blijf dan tenminste de eerste voorhouden”. Zij zeiden: “Dat kunnen we ook niet”. De grijsaard zei: “Als u dat ook niet kunt, geef dan niet de klappen die u kreeg terug”. En zij zeiden: “Dat kunnen we ook niet”. Toen sprak de grijsaard tot zijn leerling: “Ga wat pap koken voor ze, want ze zijn zwak”. En tot hen sprak hij: “Als u dit niet kunt en dat niet wilt, wat vang ik dan met u aan? Voor u moet gebeden worden”.

20 (20)  Een broeder had aan de wereld verzaakt en zijn bezit aan de armen uitgedeeld, maar ten voordele van zichzelf iets achtergehouden. Hij bezocht abt Antonius en toen deze erachter kwam, sprak de grijsaard tot hem: “Als u monnik wil worden, ga dan naar dat en dat dorp, koop er vlees, hang het om uw blote lichaam, en kom op die manier hierheen”. Nadat de broeder aldus gedaan had, verwondden de honden en de vogels zijn lichaam. Hij kwam bij de grijsaard aan en deze vroeg hem of er gebeurd was zoals hij had aangeraden. En hij liet hem zijn lichaam zien, dat helemaal stukgereten was. Daarop sprak de heilige Antonius: “Wie aan de wereld verzaakt hebben en toch zaken wensen te behouden, worden op deze manier door de duivels bekoord en in stukken gescheurd”.

21 (21)  Eens was een broeder in het klooster van abt Elias een beproeving overkomen. En omdat hij eruit weggejaagd was, ging hij de berg op naar abt Antonius. Nadat de broeder een jaar bij hem gebleven was, zond hij hem terug naar het klooster waar hij vandaan was gekomen. Maar zodra ze hem zagen, joegen ze hem opnieuw weg. Hij keerde naar abt Antonius terug en zei: “Ze wilden me niet aannemen, vader”. Toen stuurde de grijsaard iemand met de boodschap: “Een vaartuig leed schipbreuk in volle zee, het verloor zijn lading en met moeite kon het veilig en wel op het land gebracht worden. Maar u wilt wat al veilig aan land is, in zee werpen”. En toen ze vernamen dat abt Antonius hem teruggestuurd had, namen ze hem terstond op.

22 (22)   Abt Antonius zei: Ik denk dat het lichaam van nature een beweging mee ingeschapen heeft gekregen. Deze treedt niet in werking zolang de ziel niet wil, maar geeft in het lichaam alleen blijk van een ongepassioneerde beweging.
Er bestaat evenwel een andere beweging, die zich voordoet wanneer het lichaam gevoed en welgedaan wordt door spijzen en dranken. De warmte van het bloed, daardoor veroorzaakt, zet het lichaam in werking. Daarom ook zei de Apostel: Bedrinkt u niet met wijn, want daarin steekt wellust (Ef 5,18). En van zijn kant beval de Heer in het Evangelie aan zijn leerlingen: Ziet toe dat uw harten niet bezwaard worden door oververzadiging en dronkenschap (Lc 21,34). Tenslotte is er nog een andere beweging die de strijders betreft en die voortkomt uit de toeleg en de nijd van de duivels. Men dient dus te weten dat er drie soorten bewegingen in het lichaam zijn: een van nature, een uit het zonder onderscheid gebruiken van voedsel en een derde komend van de duivels.

[van nature ongepassioneerde beweging: namelijk die van de toestand van vóór de zondeval. De natuur is van zichzelf goed geschapen, zie het Leven van Antonius §20]

23 (23)  Verder zei hij: God laat de bekoringen niet woeden in dit geslacht zoals bij de Ouden, want Hij weet dat men nu zwak is en er niet tegen kan.

24 (24) Toen abt Antonius in de woestijn vertoefde, werd hem dit onthuld: er leeft in de stad iemand als u. Hij is arts van beroep, schenkt wat hij over heeft aan de noodlijdenden, en zingt elke dag het Driewerf heilig tezamen met de engelen.

25 (25) Abt Antonius zei: Er komt een tijd dat de mensen ijlen, en wanneer ze iemand zien die niet ijlt, verheffen ze zich tegen hem en zeggen: “je ijlt”, omdat hij niet is als zij.

26 (26)  Toen broeders aan abt Antonius een bezoek brachten, zeiden zij hem een vers uit (het boek) Leviticus. De grijsaard ging daarna de woestijn in, heimelijk gevolgd door abt Ammonas, want deze kende zijn gewoonte. De grijsaard ging ver weg, bleef dan staan in gebed en riep met luide stem: “God, zend Mozes om me dit woord te verklaren!” En er kwam een stem die met hem sprak. En abt Ammonas zei: “Wel hoorde ik dat de stem tot hem sprak, maar wat de uitleg van het woord was, kwam ik niet te weten”.

27 (27) Drie vaders hadden de gewoonte om elk jaar naar de heilige Antonius te trekken. Twee van hen stelden hem dan vragen over hun gedachten en over hun zielenheil, maar de derde zweeg altijd en vroeg nooit iets. Na vele jaren nu sprak abt Antonius tot hem: “Zie, zoveel jaren al komt u hier en nooit stelt u een vraag”. Maar hij gaf hem ten antwoord: “Voor mij is het voldoende enkel naar u te kijken, vader”.

28 (28)  Men zei dat een van de ouderlingen God bad om de vaders te mogen zien. En hij zag ze allen behalve abt Antonius. Daarom sprak hij tot degene die ze hem toonde: “Waar is abt Antonius?” En deze zei hem: “Op de plaats waar God is, daar is hij”.

29 (29)  Een broeder van de monnikengemeenschap, die vals beschuldigd werd van onkuisheid, stond op en ging naar abt Antonius. En ook de broeders van de gemeenschap gingen er heen om hem te genezen en mee te nemen. En zij begonnen hem te verwijten dat hij dat gedaan had. Maar deze verweerde zich: “ik heb niets dergelijks gedaan”. Toevallig nu was daar ook abt Pafnoetius Kefalas, en hij sprak deze gelijkenis tot hen: “Ik zag aan de oever van de rivier een man tot aan de knieën in het slijk zitten. En er kwamen enkelen hem een hand toesteken, maar zij dompelden hem er tot zijn nek in”. Toen zei abt Antonius van abt Pafnoetius: “Zie, hij is nu waarlijk een mens die in staat is te genezen en zielen te redden”. En op het woord van de grijsaards kregen zij berouw, vroegen de broeder vergiffenis en op aansporing van de vaders namen zij de broeder in de gemeenschap over.

30 (30) Sommigen zeiden van abt Antonius dat hij een geestdrager was, maar dat hij niet wenste te spreken omwille van de mensen. Want zowel wat er in de wereld plaatsgreep als wat zou gebeuren, onthulde hij.

31 (31) Eens ontving abt Antonius een brief van keizer Constantijn om naar Constantinopel te komen. En hij overwoog wat hij zou doen. Daarom zei hij tegen abt Paulus, zijn leerling: “Doe ik beter met te gaan?” En hij zei hem: “Als u er heengaat, wordt u Antonius genoemd, maar gaat u er niet heen, dan abt Antonius”.

32 (32) Abt Antonius zei: Wat mij betreft, ik vrees God niet meer, maar ik bemin Hem. Want de liefde werpt de vrees buiten (1 Joh 4,18).

33 (33) Hij was het ook die zei: Houdt altijd voor ogen de vreze Gods.  Gedenkt Hem die dood en levend maakt (1 Sam 2,6). Haat de wereld en alles wat erin is. Haat elke lichamelijke verkwikking. Verzaakt aan dit leven om voor God te leven. Weest indachtig wat u God beloofd hebt, want dat zoekt Hij van u op de oordeelsdag. Lijdt honger en dorst, weest naakt (vgl. 1 Kor 4,11), waakt (vgl. Lc 21,36), rouwt, weent (vgl. Jak 4,9), zucht in uw hart. Probeert of u God waardig bent. Veracht het vlees, om uw ziel te redden.

34 (34)  Op zekere keer, toen abt Antonius een bezoek bracht aan abt Ammoen op de berg van Nitrië en zij zich met elkander onderhouden hadden, sprak abt Ammoen tot hem: “De broeders zijn door uw gebeden talrijk geworden en enigen van hen willen zich een kluis optrekken, ver weg, om in stilte te bidden. Welke afstand schrijft u voor dat er moet zijn tussen de te stichten kluizen en die er reeds zijn?” En hij zei: “Laten we op het negende uur gaan eten, dan gaan we naar buiten, doorkruisen de woestijn en nemen de plaats in ogenschouw”. Nadat zij nu in de woestijn waren voortgetrokken totdat de zon onderging, zei abt Antonius tot hem: “Laten we bidden en hier een kruis oprichten, dan mogen zij die dat verlangen hier gaan bouwen. Zo kunnen die van ginder, wanneer zij hen komen bezoeken, op het negende uur eerst wat beschuit eten en hen dan nog bereiken. En die van hier kunnen, wanneer zij heengaan en insgelijks doen, onbezorgd zijn als zij elkaar bezoeken”. De afstand nu is twaalf mijl.

35 (35)  Abt Antonius zei: Wie een stuk ijzer bewerkt, overweegt van te voren in zijn gedachte wat hij gaat maken, een zeis, een zwaard of een bijl. Zo moeten ook wij eerst bedenken welke deugd we gaan beoefenen, om ons niet doelloos af te matten.

36 (36)  Ook zei hij: Gehoorzaamheid met onthouding temt wilde dieren.

37 (37)  Ook zei hij: Ik ken monniken die, na zich ten zeerste afgemat te hebben, gevallen zijn en buiten zinnen zijn geraakt, omdat zij op hun werk hun hoop hadden gesteld, maar het gebod verwaarloosden dat luidt:  Ondervraag uw vader en hij zal u inlichten (Dt 32,7).

38 (38)   Ook zei hij: Indien het mogelijk was, dan behoort de monnik alle schreden die hij zet en alle druppels die hij in zijn cel drinkt, over te laten aan de ouderlingen, om zeker te zijn dat hij er niet door misdoet.