Anoeb, abt

ABT ANOEB

(138) Abt Johannes verhaalde het volgende: Abt Anoeb, abt Poimên en hun overige broers waren van dezelfde moederschoot. Zij werden monnik in de Skêtis, maar toen de Maziki waren gekomen en het gebied voor de eerste maal hadden geplunderd, trokken zij daarvandaan en gingen naar een plaats, die Terenoethin heette, totdat zij hadden vastgesteld hoe zij voortaan zouden gaan leven. Gedurende verscheidene dagen verbleven ze daar in een oude tempel. Toen zei abt Anoeb tegen abt Poimên: “Doe me een genoegen, u en uw broers, laat elkeen op zichzelf zijn gebedsleven leiden en laten wij deze week niet bij elkaar komen”. Abt Poimên zei: “Wij doen wat u verlangt”. En zo deden ze. Nu stond er in dat heiligdom een stenen beeld. Telkens wanneer abt Anoeb ’s morgens vroeg opstond, wierp hij stenen naar het gelaat van het beeld. En ’s avonds zei hij ertegen: “Neem me niet kwalijk”. En zo deed hij de hele week. Maar op de zaterdag kwamen ze te zamen. Toen zei abt Poimên tot abt Anoeb: “Ik zag, abba, dat u deze week stenen wierp naar het gelaat van het beeld, en er later weer uw verontschuldiging voor aanbood. Doet een gelovig mens zulke dingen?” Maar de grijsaard antwoordde: “Deze daad stelde ik voor u. Wanneer ik het gelaat van het beeld stenigde, zag u dan dat het sprak of kwaad werd?” En abt Poimên antwoordde: “0 neen”. “En vervolgens, wanneer ik het met een buiging mijn verontschuldiging aanbood, wond het zich dan op en zei: Nee, dat vergeef i k niet?” En abt Poimên zei: “Nee”. Toen sprak de grijsaard: “Wij, nietwaar, zijn hier met zeven broers. Als u verlangt dat we bij elkaar blijven, moeten we worden als dat standbeeld dat zich niet verroert, of het nu beledigd of geëerd wordt. Maar als u zo niet verlangt te worden, ziet, er zijn vier poorten in de tempel, laat iedereen dan gaan waarheen hij verkiest”.

Toen wierpen ze zich ter aarde en spraken tot abt Anoeb: “Wij doen zoals u verlangt, vader, en wij gehoorzamen aan al wat u ons zegt”. En abt Poimên zei: “Heel de tijd die ons vergund was, bleven we te zamen, en wij handelden volgens het woord dat de grijsaard tot ons gesproken had. Een van ons stelde hij aan tot beheerder, en wij aten alles wat hij ons voorzette. En niemand van ons kon zeggen: Breng ons iets anders, of: Dat wens ik niet te eten. En heel de tijd die ons vergund was, brachten we door in rust en vrede”.

2 (139) Abt Anoeb zei eens: Sinds de Naam van Christus over mij werd aangeroepen, is er geen leugen uit mijn mond gekomen.