Ammonathas, abt

ABT AMMONATHAS

(154) Op zekere dag kwam een magistraat naar het klooster te Pelusium. Hij wilde personeelsbelasting opvorderen van de monniken, zoals dat ook geschiedde van de wereldlingen. Alle broeders verzamelden zich voor die zaak bij abt Ammonathas en zij besloten, dat enigen van de Vaders naar de keizer zouden gaan. Maar abt Ammonathas zei tot hen: “Zoveel moeite is er niet voor nodig. Trekt u liever in gebed terug in uw cellen en vast twee weken lang, dan breng ik met de genade van Christus de zaak wel alleen in orde”. En de broeders gingen naar hun cellen, terwijl de grijsaard zich in gebed in zijn eigen cel terugtrok. Nadat er nu veertien dagen verlopen waren, werden de broeders wat ontstemd jegens de grijsaard, want ze hadden nog steeds niet gezien dat hij zich verwijderd had. En zij zeiden: “De grijsaard heeft van onze zaak geen werk gemaakt”.

Op de vijftiende dag verzamelden de broeders zich volgens overeenkomst. Ook de grijsaard kwam, en hij had het door de keizer verzegelde decreet bij zich. Op het zien hiervan stonden de broeders verstomd en zij zeiden: “Wanneer bent u dat gaan halen, abba?” Toen sprak de grijsaard: “Gelooft me, broeders, nog deze nacht ben ik bij de keizer geweest en hij schreef dit decreet. Daarna ben ik naar Alexandrië gegaan, waar ik het heb laten ondertekenen door de magistraten. En daarna ben ik naar u toe gekomen”. Toen zij dit hoorden, werden zij door vrees bevangen en zij boden hem met een buiging hun verontschuldiging aan. En zo werd hun zaak opgelost en de magistraat viel hen niet meer lastig.