Ammonas, abt

ABT AMMONAS

Van een abt Ammonas zijn een reeks brieven overgeleverd die grote verwantschap vertonen met die van Antonius. Men meent daarom dat hij diens leerling is geweest. Deze brieven en een reeks onderrichtingen leggen getuigenis af van een mystiek begaafd man.

1 (113) Een broeder vroeg eens aan abt Ammonas: “Zou u me een woord wiIlen zeggen?” Toen sprak de grijsaard: “Ga, en behandel uw gedachte zoals de misdadigers doen in de gevangenis. Zij vragen namelijk telkens aan de mensen: ‘Waar is de directeur, en wanneer komt hij eindelijk?’ En van het lange wachten beginnen zij te schreien. Zo moet ook de monnik altijd op de uitkijk staan en zijn ziel berispen met deze woorden: ‘Wee mij, hoe zal ik voor Christus’ rechterstoel verschijnen? En hoe zal ik me voor Hem verdedigen?’ Als u in uw overwegingen op deze manier altijd bezig bent, kunt u gered worden”.

2 (114) Men zegt van abt Ammonas, dat hij zelfs een basilisk gedood had. Eens ging hij namelijk in de woestijn water scheppen uit een put. Toen hij de basilisk gewaarwerd, plaatste hij zich er vlak voor, zeggend: “Heer, of ik moet nu sterven, of dit dier”. En ogenblikkelijk barstte de basilisk open door de kracht van Christus.

3 (115) Abt Ammonas zei eens: Veertien jaar heb ik in de Skêtis doorgebracht met God dag en nacht te smeken, dat Hij mij de genade zou schenken om mijn toorn te overwinnen.

4 (116)   Een van de Vaders verhaalde: In het gebied van de Cellen leefde een grijsaard die zich zware lasten oplegde en gekleed ging in een gevlochten mat. Aldus ging hij een bezoek afleggen bij abt Ammonas. Toen de grijsaard hem met zijn mat om zag, zei hij tot hem: “Dat dient u nergens toe”. Daarop stelde de grijsaard hem deze vraag: “Drie gedachten dringen zich aan me op: ofwel te gaan rondzwerven in verlaten streken, ofwel de vreemde in te gaan, waar niemand me kent, ofwel me op te sluiten in een kluis, waar ik met niemand contact heb en waar ik slechts om de dag eet”. Toen sprak abt Ammonas tot hem: “Het uitvoeren van geen van deze drie zaken brengt u enig voordeel. Ga liever in uw kluis neerzitten en eet een beetje elke dag. En houd voortdurend het woord van de tollenaar in uw hart, dan kunt u gered worden”.

5 (117) Het gebeurde eens dat broeders op de plaats, waar ze verbleven, in grote nood geraakten en daarom de plaats wensten te verlaten. Zij gingen naar abt Ammonas, maar de grijsaard voer juist de rivier af. Toen hij hen langs de oever van de rivier zag voorttrekken, zei hij tegen de schippers: “Zet me aan land”. Daarna riep hij de broeders en sprak tot hen: “Ik ben Ammonas, die u wenst te bezoeken”. En na hun hart getroost te hebben, Iiet hij hen teruggaan naar waar zij vandaan waren gekomen. De kwestie strekte namelijk niet tot schade van hun ziel, maar betrof slechts menselijke nood.

6 (118) Op een keer kwam abt Ammonas aan de rivier om haar over te steken. Hij trof echter de pont in reparatie en daarom ging hij in de nabijheid zitten wachten. Maar zie, er verscheen een andere boot ter plaatse om de aanwezigen over te zetten. En men zei hem: “Kom ook hierheen, abba , en steek met ons over”. Maar hij antwoordde: “Ik ga slechts de openbare pont op”. Nu had hij een bundel palmbladeren bij zich, en terwijl hij zat, vlocht hij een touw, dat hij vervolgens weer uit elkaar haalde totdat de pont klaar was, en toen stak hij over. Met een buiging hun verontschuIdiging aanbiedend, zeiden zijn broeders: “Waarom hebt u dat gedaan?” Toen antwoordde de grijsaard hun: “Om niet maar altijd rond te lopen, waar mijn gedachte me heen stuwt. En bovendien is het een les, dat we de weg Gods met innerlijke gemoedsrust moeten bewandelen”.

7 (119) Eens vertrok abt Ammonas om abt Antonius een bezoek te brengen, maar hij raakte de weg kwijt. Hij zette zich neer, sliep een weinig, en toen hij van de slaap was opgestaan, bad hij tot God: “Ik smeek U, Heer, mijn God, laat uw schepsel niet omkomen”. Toen verscheen hem een hand als van een mens, die uit de hemel omlaag hing en hem de weg toonde, totdat hij veiIig en wel voor de grot van abt Antonius stond (vgI. Mt 2,9).

8 (120) a) Aan dezelfde abt Ammonas voorspelde abt Antonius: “U zult vooruitgang maken in de vreze Gods”. En hij bracht hem buiten de kluis, wees hem een steen aan, en zei tot hem: “Mishandel deze steen en sla hem”. En hij deed aldus. Toen vroeg hem abt Antonius: “Heeft de steen iets gezegd?” Hij antwoordde: “Welneen”. Daarop zei hem abt Antonius: “Zo zult ook u tot deze graad geraken”. En dat is dan ook geschied. Want abt Ammonas maakte zo grote vooruitgang, dat hij door de overmaat van zijn rechtvaardigheid de boosheid zelfs niet meer kende.

b ) Nadat hij daarom bisschop geworden was, bracht men hem eens een meisje, dat zwanger was, en men zei hem: “Die en die heeft het gedaan. Geeft u hun maar een terechtwijzing”. Maar hij maakte een kruisteken over haar schoot en Iiet haar zes stel Iinnen doeken geven, zeggend: “Anders zou er, wanneer ze gaat baren, en zij of het kind sterft, niets zijn om in ter aarde besteld te worden”. Zij die tegen haar getuigden, zeiden tot hem: “Waarom hebt u dat gedaan? Geeft u hun toch een terechtwijzing!” Maar hij antwoordde hun: “Ziet toch, broeders, zij is de dood nabij. Wat kan ik er nog aan doen?” En hij Iiet haar heengaan. En de grijsaard verstoutte zich niet haar te veroordelen.

9 (121) Men zei van hem: Er kwamen eens een paar (personen) recht zoeken bij hem. Maar de grijsaard gedroeg zich dwaas. En zie, een vrouw zei tegen haar buurman: “Die oude man is gek!” De grijsaard had haar echter gehoord. Hij riep haar bij zich en zei: “Hoeveel moeite heb ik er in de woestijn voor gedaan om me deze gekheid eigen te maken. En omwiIle van u zou ik haar vandaag weer kwijtraken!”

10 (-122) Eens kwam abt Ammonas ergens om het maal te gebruiken. Nu woonde daar een broeder, die een slechte naam had. Het trof echter zo, dat de vrouw juist de kluis van de broeder met de slechte naam was binnengegaan. Toen de andere bewoners van die plaats dat vernamen, geraakten ze in opschudding. Zij liepen te hoop, om hem uit zijn kluis te verjagen. En omdat ze wisten, dat bisschop Ammonas zich ter plaatse bevond, gingen ze naar hem toe en verzochten hem om met hen mee te gaan. Zodra de broeder dit vernam, verborg hij de vrouw in een groot vat. Toen allen er waren, zag abt Ammonas wat er gebeurd was, maar ter ere Gods hield hij de daad geheim. Hij trad daarom naar binnen en nam plaats boven op het vat, en gelastte hen toen de kluis te doorzoeken. Nadat zij goed rondgesnuffeld hadden, zonder echter de vrouw te vinden, zei abt Ammonas: “Hoe kan dat nu? God moge het u vergeven”. En na een gebed gezegd te hebben, Iiet hij hen allen naar buiten gaan. Toen greep hij de hand van de broeder en sprak tot hem: “Geef acht op uzelf, broeder”. En na deze woorden ging hij heen.

11 (123) Men vroeg eens aan abt Ammonas, waaruit de enge en nauwe weg bestond. Hij nu antwoordde hun: De enge en nauwe weg is deze: zijn gedachten geweld aandoen en om Gods wiI zijn eigen wensen afkappen. En dat is de zin van (het schriftwoord): Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd (Mt 19,27).