Agathoon, abt

ABT AGATHOON

Logos VI, deel 5 van enkele Syrische versies van de Logoi van abt Hêsaias handelt over het leven van abt Agathoon.  Daarop schijnen de volgende dertig spreuken en andere waarin zijn naam voorkomt, terug te gaan. R. Draguet  meent dat hij rond het jaar 400 reeds een oud man was. De spreuken tonen ons een zeer liefdevol en wijs monnik.

1  (83)   Abt Petrus (leerling) van abt Loot zei het volgende: Eens zat ik bij abt Agathoon in zijn kluis, toen een broeder bij hem kwam en tot hem sprak: “ik wil met broeders gaan samenwonen. Zegt u me eens: hoe moet ik met hen samenwonen?” De grijsaard zei hem: “Als op de eerste dag, toen u pas bij hen binnenkwam, zo moet u vreemdeling blijven alle dagen van uw leven, zonder met hen op vertrouwelijke voet te geraken”. Toen zei hem abt Macarius: “Wat brengt de vertrouwelijkheid dan teweeg?” De grijsaard zei hem: “De vertrouwelijkheid gelijkt op een grote hitte. Wanneer deze zich voordoet, tracht elkeen haar te vermijden; zelfs de vruchten van de bomen verzengt zij”. Abt Macarius zei hem: “Is de vertrouwelijkheid dan zo verkeerd?” Toen sprak abt Agathoon tot hem: “Er is geen verkeerder hartstocht dan de vertrouwelijkheid. Want zij is de verwekster van alle hartstochten. Daarom mag de werker niet vertrouwelijk worden, zelfs al woont hij maar alleen in zijn kluis. Ik ken namelijk een broeder die, na een jaar lang gewoond te hebben in een kluis, waarin een klein rustbed stond, zei: “Ik zou van kluis verhuisd zijn zonder zelfs van het rustbed af te weten, als niet iemand anders het me gezegd had. Zo iemand is een werker en strijder”.

2 (84)    Abt Agathoon zei: De monnik mag niet toelaten, dat zijn geweten hem aanklaagt van welke daad dan ook.

3 (85) Verder zei hij: Zonder de onderhouding van Gods geboden maakt een mens in geen enkele deugd enige vooruitgang.

4 (86)  En nog zei hij: Nooit heb ik me te ruste gelegd, terwijl ik iets tegen iemand had. Evenmin heb ik iemand zich te ruste laten leggen, die iets tegen mij had, althans voorzover dat in mijn vermogen lag.

5 (87)  Men zei van abt Agathoon: Eens kwamen er enkele (broeders) bij hem, die vernomen hadden, dat hij een groot onderscheidingsvermogen bezat. Zij nu wilden eens proberen of hij zich niet kwaad maakte, en daarom zeiden ze hem: “Bent u Agathoon? Wij hebben van u gehoord, dat u een onkuisaard bent en een hoogmoedige”. En hij zei: “Ja, zo is het”. Dan zeiden ze hem: “Bent u Agathoon, die praatvaar en lasteraar?” En hij zei: “Dat ben ik”. En op- nieuw zeiden ze hem: “Bent u Agathoon, die ketter?” Toen antwoordde hij: “Een ketter ben ik niet”. Daarop vroegen ze hem: “Zegt u eens, wij hebben u zulke erge zaken gezegd, waarom hebt u die beaamd, en waarom hebt u het laatste woord niet verdragen?” Hij zei hun: “De eerste zaken schrijf ik me toe, want daarmee is mijn ziel gebaat. Maar ketter zijn scheidt af van God, en van God wil ik niet gescheiden worden”. Toen zij dit vernamen, bewonderden ze zijn onderscheidingsvermogen, en gesticht gingen zij heen.

6 (88)   Men vertelde van abt Agathoon: Geruime tijd was hij bezig gebleven met het optrekken van een kluis te zamen met zijn leerlingen. En toen zij de kluis voltooid hadden, gingen zij er binnen om er te gaan neerzitten. In de loop van de eerste week nu ontdekte hij er iets, dat hem niet nuttig was en hij zei tegen zijn leerlingen: “Staat op, laten we hier vandaan gaan!” (Joh 14,31) Toen werden zij zeer ontstemd en ze zeiden: “Als u werkelijk met de gedachte rondliep om te verhuizen, waarom hebben we dan zoveel moeite gedaan om de kluis te bouwen? En daarbij, de mensen zullen geërgerd worden en tot ons zeggen: Kijk, zij gaan weer eens verhuizen, die ongedurigen”. Toen hij nu hun verslagenheid zag, zei hij hun: “Laten sommigen misschien geërgerd worden, anderen zullen erdoor worden gesticht en zeggen: ‘Gezegend deze mannen, want omwille van God zijn zij verhuisd en hebben zij alles veracht’. Overigens, wie wil komen, mag komen; ik vertrek in ieder geval”. Zij wierpen zich toen  ter aarde met het verzoek hem zover te mogen vergezellen als hij hun toestond.

7 (89)  Verder zei men nog van hem, dat hij zich dikwijls verplaatste met niet meer dan zijn mes op zak.

8 (90)  Eens vroeg men aan abt Agathoon wat beter was, lichamelijke inspanning of de bewaking van de gemoedsgesteltenis. Hierop zei de grijsaard het volgende: “De mens gelijkt op een boom. De lichamelijke inspanning zijn de bladeren, de bewaking van de gemoedsgesteltenis is de vrucht. Nu wordt, volgens de Schrift, elke boom die geen goede vrucht draagt, omgehouwen en in het vuur geworpen (Mt 3,10), en daaruit blijkt, dat al onze ijver op de vrucht gericht moet zijn, dat wil zeggen, op de bewaking van het verstand. Maar ook de beschutting en de schoonheid van het lover zijn noodzakelijk, oftewel de lichamelijke inspanning”.

9 (91 ) De broeders stelden hem nog een andere vraag. Zij zeiden: “Welke deugd, Vader, kost onder alle levenswijzen de meeste moeite?” Hij zei tot hen: “Neemt u me niet kwalijk, maar ik denk, dat er geen andere moeite bestaat dan te bidden tot God. Want telkens ais de mens verlangt te bidden, willen de vijanden het hem beletten. Zij weten immers, dat zij alleen gehinderd worden door het bidden tot God. En vervolgens, op welke levenswijze een mens zich ook toelegt, hij zal, als hij erin volhardt, daar tevens verkwikking in vinden, maar bidden kost strijd tot de laatste ademtocht”.

10 (92)  Abt Agathoon nu was wijs in het verstandelijke en ijverig in het lichamelijke; en in alles stelde hij zich met weinig tevreden: in zijn handenarbeid, zijn voedsel en zijn kleding.

11 (93)   Hij maakte eens met zijn leerlingen een wandeling, toen een van hen op de weg een groene erwt vond. Hij zei  tot de grijsaard: “Vader, moet ik haar oprapen?” Hierop staarde de grijsaard hem vol verbazing aan en hij zei: “Ben jij het, die haar hier hebt neergelegd?” De broeder zei: “Welneen”. Toen sprak de grijsaard: “Hoe wil je dan oprapen, wat je niet hebt neergelegd?”

12 (94)  Eens kwam een broeder bij abt Agathoon en hij zei: “Mag ik met u samenwonen? Op weg naar u echter vond ik een beetje zout en ik heb het meegenomen”. En de grijsaard zei. “Waar hebt u het zout gevonden?” De broeder antwoordde: “ik vond het op de weg, toen ik voortwandelde, en ik nam het mee”. De grijsaard sprak tot hem: “Als u gekomen bent om met mij samen te wonen, hoe hebt u dan opgeraapt, wat u niet neergelegd hebt?” En hij stuurde hem heen om het terug te brengen naar de plaats waar hij het opgeraapt had.

13 (95)   Een broeder vroeg de oudvader eens: “Ik heb een gebod gekregen, maar waar het gebod moet uitgevoerd worden, wacht me strijd. Vanwege het gebod wil ik er wel heengaan, maar ik vrees de strijd”. Toen sprak de grijsaard tot hem: “Als het Agathoon was, volbracht hij het gebod en overwon de strijd”.

14 (96)   Eens hield men raadsvergadering over een of andere kwestie in de Skêtis en men had al een regeling getroffen, toen tenslotte voornoemde Agathoon naar voren trad en hun zei: “Gij hebt de kwestie niet goed geregeld”. Zij zeiden dan tot hem: “Wie bent u, dat u zelfs maar spreekt?” Hierop antwoordde hij: “Een mensenzoon. Want er staat geschreven: Spreekt gij dan werkelijk rechtvaardigheid, oordeelt gij naar recht, zonen der mensen? (Ps 57/58,2)”.

15 (97)   Men vertelde van abt Agathoon, dat hij drie jaar Iang een steen in zijn mond heeft gehouden, totdat hij zich het zwijgen had eigen gemaakt.

16 (98)   Men vertelde van hem en van abt Ammoen: Als zij een of ander voorwerp gingen verkopen, noemden zij slechts eenmaal de prijs, en wat men hun ervoor gaf, aanvaardden ze zwijgend, in alle gemoedsrust. En omgekeerd, a Is zij wat dan ook wensten te kopen, gaven ze zwijgend wat hun gezegd werd, en zij namen het voorwerp zonder zelfs maar één woord geuit te hebben.

17 (99) Dezelfde abt Agathoon zei eens: Nooit deed ik een liefdegift. Kopen en verkopen was voor mij al een liefdegift. Ik ben namelijk van mening dat mijn broeder winst te laten maken een werk is dat vruchten afwerpt.

18 (100) Wanneer hij een of andere handeling zag en er in zijn gedachte een oordeel over wenste te vellen, sprak hij tot zichzelf: “Agathoon, zorg maar eerst, dat jij dat zelf niet doet”. En aldus bracht hij zijn gedachte tot rust.

19 (101) Een ander maal zei hij: Als iemand in toorn zelfs een dode opwekt, is hij nog niet aangenaam in Gods ogen.

20 (102) Abt Agathoon had eens een tijdje twee leerlingen, die apart als kluizenaars leefden. Op zekere dag vroeg hij aan de een: “Hoe doet u met eten in uw kluis?” Hij nu zei: “Ik vast tot de avond en eet dan twee beschuiten”. Hij zei tot hem: “Een goed regime, dat niet te veel moeite kost”. Toen sprak hij tot de ander: “En u, hoe (doet u met eten)?” Hij nu sprak: “Ik blijf om de dag nuchter en dan neem ik twee beschuiten”. Toen sprak de grijsaard tot hem: “U maakt het zich wel erg moeilijk, u strijdt twee oorlogen tegelijk. Want als iemand dagelijks eet en zich daarna niet verzadigt, heeft hij het al zwaar. Een ander wiI mogelijkerwijze om de dag nuchter blijven, maar zich daarna verzadigen. U echter doet beide: u blijft nuchter en verzadigt zich daarna niet”.

21 (103) Een broeder stelde abt Agathoon eens vragen over de ontucht. En hij sprak tot hem: “Ga heen, leg uw machteloosheid neer voor Gods ogen, en u zult verkwikking vinden”.

22 (104) Eens werd abt Agathoon ziek, te zamen met een andere oudvader. Terwijl beiden in de kluis te bed lagen, las de broeder voor uit Genesis. En hij kwam aan de passage waar Jakob zegt: “Jozef is niet meer, Simeon is niet meer, en nu gaat u me ook Benjamin ontnemen. U zult mijn oude dag nog met verdriet naar de onderwereld voeren” (Gn 42, 36.38). De andere grijsaard sprak daarop: “Maar, Vader Jakob, zijn dan de overige tien u niet genoeg?” Waarop abt Agathoon: “Houd op, grijsaard, als God rechtvaardigt, wie zal dan veroordelen? (Rom 8,33-34)”

23 (105) Eens sprak abt Agathoon: Al is iemand mij bovenmate lief, als ik weet, dat hij mij tot een tekortkoming verleidt, verstoot ik hem.

24 (106) Weer sprak hij: De mens behoort te allen tijde Gods oordeel voor ogen te houden.

25 (107) Toen enkele broeders eens spraken over broederliefde, zei abt Jozef: “Wij, wat weten wij er eigenlijk van, wat broederliefde is”. En toen vertelde hij van abt Agathoon, dat hij een snijwerkmesje had, dat er eens een broeder bij hem op bezoek kwam, die het erg mooi vond, en dat hij hem niet liet vertrekken, als hij niet eerst het mesje van hem aannam.

26 (108) Abt Agathoon zei: Als ik een melaatse vond, en aIs het mogelijk was om mijn lichaam aan hem te geven en het zijne ervoor in de plaats te krijgen, ware me dat zeer aangenaam. Want dat is de volmaakte liefde.

27 (109) Verder vertelde men van hem: Op zekere keer ging hij enkele zaken in de stad verkopen, toen hij een buitenlander op straat zag liggen. Hij was ziek en had niemand om voor hem te zorgen. De grijsaard nu bleef bij hem en betrok een huurhuisje. Van het werk van zijn handen betaalde hij de huur, en wat hem restte, besteedde hij aan de behoeften van de zieke. En hij bleef er vier maanden, totdat de zieke genezen was. Daarna keerde de oudvader in vrede naar zijn kluis terug.

28 (110) Abt Daniël vertelde: Voordat abt Arsenius zich voegde bij mijn Vaders, verbleven dezen bij abt Agathoon. Nu hield abt Agathoon veel van abt Alexander, omdat hij ascetisch leefde en bedaard van natuur was. Het gebeurde eens, dat al zijn leerlingen te zamen de biezen stonden te spoelen in de rivier. Ook abt Alexander was er en spoelde bedaard door. Toen zeiden de overige broeders tot de grijsaard: “Broeder Alexander voert niets uit”. En omdat hij hen wilde genezen, zei hij: “Broeder Alexander, spoel deze flink, want het zijn vlasvezels!” En het horen hiervan deed hem pijn. Maar na afloop troostte de grijsaard hem en sprak: “Ik wist natuurlijk heel goed dat u flink spoelde, maar ik zei het u in hun tegenwoordigheid, om hun gedachte te genezen door uw gehoorzaamheid, broeder”.

29 (111) a) Men verhaalde van abt Agathoon: Hij was gewoon zo snel mogelijk elk gebod te volbrengen. En wanneer hij met de pont overstak, was hij de eerste om de riemen te grijpen. En als er broeders op bezoek kwamen, richtte hij terstond na het gebed eigenhandig de tafel aan. Hij was namelijk vol van de Iiefde Gods.

  1. b) Toen hij nu ging sterven, bleef hij drie dagen met open ogen Iiggen zonder zich te verroeren. Zijn broeders stootten hem derhaIve aan en spraken: “Abt Agathoon, waar bent u toch?” Hij antwoordde hun: “Voor Gods gerecht sta ik”. Zij zeiden hem: “Hebt ook u dan vrees, Vader?” Hij zei hun: “Wel heb ik tot nu toe mijn best gedaan Gods geboden te volbrengen, maar tenslotte ben ik een mens. Hoe weet ik of mijn daden God behaagd hebben?” Zijn broeders zeiden hem: “Vertrouwt u er dan niet op, dat uw daden volgens God waren?” De grijsaard antwoordde hun: “Daar verlaat ik me niet op, zolang ik niet bij God ben aangekomen. Want Gods oordeel verschilt veel van dat van de mensen”. En toen zij hem nog een ander woord wilden vragen, sprak hij tot hen: “Als het u belieft, spreekt nu niet met me, want ik ben bezet”. En hij stierf vol vreugde. Zij zagen namelijk, dat hij zo blijmoedig heenging als iemand, die zijn vrienden en geliefden gaat verwelkomen.

c ) In alle zaken bezat hij een grote mate van waakzaamheid en hij zei: “Zonder grote waakzaamheid maakt een mens in geen enkele deugd enige vooruitgang”.

30 (112) Op zekere dag ging abt Agathoon naar de stad om een paar voorwerpen te kopen, toen hij langs de weg een melaatse aantrof. De melaatse zei tot hem: “Waar gaat u naar toe?” Abt Agathoon antwoordde hem: “Naar de stad om zaken te verkopen”. Hij zei hem: “Als het u belieft, breng ook mij daarheen”. En hij nam hem op en droeg hem naar de stad. Hij zei hem: “Leg me neer, waar u de voorwerpen verkoopt”. En zo deed hij. En toen hij een voorwerp verkocht had, zei de melaatse hem: “Voor hoeveel hebt u het verkocht?” En hij antwoordde: “Voor zoveel”. En hij zei hem: “Koop me dan een gevulde koek”. En hij kocht er een. Toen ging hij opnieuw een voorwerp verkopen. En hij vroeg: “Hoeveel bracht dat op?” En hij zei: “Zoveel”. En hij zei hem: “Koop dan dit hier voor mij”. En hij kocht het. Toen hij nu alle voorwerpen had verkocht en wilde heengaan, zei de melaatse hem: “Gaat u weg?” Hij antwoordde hem: “Jazeker”. En hij zei hem: “Bewijs me dan nog deze Iiefdedienst en breng me terug naar de plaats waar u me hebt gevonden”. En hij nam hem op en bracht hem naar de aangeduide plaats. Toen sprak hij: “Gezegend zijt gij, Agathoon, door de Heer in de hemel en op aarde”. En toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij niemand meer. Hij was namelijk een engel van de Heer, die gekomen was om hem te beproeven.