Achillas, abt

ABT ACHILLAS

1 (124) Eens kwamen er drie oudvaders op bezoek bij abt Achi lias, waarvan er een slecht bekend stond. Een van de oudvaders sprak tot hem: “Abba, zou u een net voor me willen maken?” Maar hij antwoordde: “Neen, dat maak ik niet”. Toen sprak de tweede: “Toe, als het u belieft, opdat wij in het klooster een gedachtenis aan u hebben”. Maar hij zei: “Ik heb geen tijd”. De derde, die de kwade naam droeg, sprak daarop: “Wilt u voor mij een net maken, zodat ik iets eigenhandigs van u bezit, abba?” En ogenblikkelijk antwoordde hij hem: “Ja, dat zaI ik voor u doen”. Maar de twee andere oudvaders namen hem terzijde en vroegen hem: “Wat nu! Wij vroegen het u, en u wilde het voor ons niet doen, en aan die daar zegt u: Ja, dat zal ik voor u doen”. Toen sprak de grijsaard tot hen: “Tegen u zei ik: Neen, dat maak ik niet, en het wekte uw misnoegen niet op, omdat ik er geen tijd voor heb. Maar als ik op dezelfde manier handel met hem, zal hij zeggen: Omdat de grijsaard van mijn zonde gehoord heeft, wiIde hij het niet doen. En daarmee snijden wij ineens het koord door. Daarom heb ik zijn ziel wat opgemonterd, om hem niet in zijn verdriet te verzwelgen (vgl. 2 Kor 2,7)”.

2 (125) Abt Bêtimius zei: Toen ik op zekere dag naar de Skêtis afdaalde,gaven enige (personen) me wat appelen om ze aan de oudvaders te geven. Ik klopte aan de kluis van abt Achillas om ervan aan hem te geven, maar hij zei: “Werkelijk, broeder, ik zou niet willen, dat u op dit ogenblik bij mij aanklopte, zelfs als u manna bracht. En ga ook niet naar een andere kluis”. Ik trok me derhalve terug in mijn eigen kluis en bracht ze naar de kerk.

3 (126) Eens kwam abt Achillas in de Skêtis de kluis van abt Hêsaias binnen, toen hij hem aan het eten trof. Hij deed juist op een bordje zout en water. Daar de grijsaard zag da t hij het achter het touw trachtte te verstoppen sprak hij tot hem: “Zegt u me eens, wat at u daar?” Hij nu antwoordde: “Neemt u me niet kwalijk, abba, ik was bezig palmbladeren te snijden, en daarna keerde ik in de hitte naar huis terug. Ik stak een stuk brood met zout erop in mijn mond, maar mijn keel was zo verdroogd van de hitte, dat het brood niet zakte. Daarom was ik genoodzaakt een beetje water bij het zout te gieten, om zo in staat te zijn het door te halen. Maar neem het me toch niet kwalijk”. Toen sprak de grijsaard: “Wel, wel, kijk toch eens aan! Hêsaias zit me daar soep te eten in de Skêtis! Als u soep wilt eten, ga dan naar Egypte”.

4 (127) Een van de oudvaders bracht abt Achillas een bezoek en hij zag, dat hij bloed uit zijn mond spuwde. Hij vroeg hem derhalve: “Wat scheelt eraan, Vader?” En de grijsaard antwoordde: “Dat is het woord van een broeder, die me verdriet heeft aangedaan. Het heeft me veel strijd gekost om het hem niet bekend te maken. Daarom smeekte i k God om het van me weg te nemen. Toen werd het woord als bloed in mijn mond. Ik spuwde het uit, kreeg weer rust en vergat het verdriet”.

5 (128) Abt Ammoês vertelde: Ik en abt Bêtimius brachten een bezoek aan abt AchiIIas en we hoorden hem dit woord overwegen: Vrees niet, Jakob, af te dalen naar Egypte (Gn 46,3). En lange tijd bleef hij dit woord overwegen. Zodra we nu aanklopten, deed hij ons open, en hij vroeg ons: “Waar komt u vandaan?” En omdat we hem niet durfden zeggen: “Uit het gebied van de Cellen, zeiden we maar: “Van de berg van Nitrië”. En hij sprak: “Wat moet ik voor u doen, want u komt van verre?” Daarna geleidde hij ons naar binnen. En wij vonden, dat hij des nachts veel touw knoopte. Wij verzochten hem toen tot ons een woord te zeggen. En hij antwoordde: “Ik heb van de avond af tot nu toe twintig vadem geknoopt. Natuurlijk, ik heb dat niet nodig, maar (ik doe het) opdat God zich niet verontwaardigd toont en me in staat van beschuldiging stelt zeggende: Je bent in staat te werken; waarom werk je dan niet? Daarom ploeter ik, en zet al mijn kracht in”. En gesticht gingen we heen.

6 (129) Een ander maal bracht een grijsaard van naam uit Thêbais een bezoek aan abt Achillas en hij sprak tot hem: “Abba, ik heb strijd ten opzichte van u”. Hij echter antwoordde hem: “Kom nu! Gij, grijsaard, gij hebt nog strijd ten opzichte van mij!” Maar de grijsaard zei uit nederigheid: “Toch wel, abba”. Nu bevond zich aan de deur een bIinde en kreupele oude man. De grijsaard zei tot hem: “Ik zou hier wel een paar dagen willen neerzitten, maar wegens die oude man daar kan ik dat niet doen”. Op het horen hiervan stond abt Achillas verbaasd over de nederigheid van de grijsaard en hij sprak: “Hier is geen kwestie van onkuisheid, maar van nijd van de boze geesten”.