Voorwoord

De laatste tien jaar ben ik bezig geweest met het thema van vergoddelijking [1] (voetnoot: onderaan de pagina). Volgens de leer van vele kerkvaders, vooral die van het oosten, bestaat het christelijk leven niet zozeer uit ‘goed zijn’ maar veeleer in ‘God worden’. Het werk van de Heilige Geest in ons gaat verder dan de hervorming van onze moraliteit. Het gaat er om dat we zó gevormd worden dat we deelgenoten worden van de goddelijke natuur, en hierdoor in staat zijn om de onmogelijke eisen te vervullen die het Nieuwe Testament ons oplegt. We gaan ons gedragen zoals Jezus dat leerde, niet door een of andere reusachtige wilsinspanning van onze kant, maar omdat we andere wezens zijn geworden. We zijn herboren in een andere bestaanssfeer. We zijn de voortbrengselen van Gods nieuwe scheppingsdaad. Vergoddelijking is Gods werk, en niet het resultaat van menselijk streven.

Voor velen van ons is dit een beetje teveel van het goede. Moraliteit kunnen we nog begrijpen en de goddelijke barmhartigheid gaat ons begripsvermogen niet te boven. Het is veel lastiger om de roep en de gave om te zijn zoals God is te vatten. De reden hiervoor is, zoals ik in het eerste hoofdstuk uitleg, onze diepgaande ontevredenheid met de onvolkomenheid van onze menselijke natuur. Om van het tegenovergestelde overtuigd te raken moeten we de menswording van God, het centrale mysterie van ons geloof, overwegen. Dit centrale mysterie van de menswording betekent voor ons dat de menselijke natuur dermate uit zichzelf een waardigheid bezit, dat het mogelijk is voor God om in die menselijke natuur te leven en te handelen. We zijn buitengesloten van het hemelse hof, maar we zijn ‘edele wezens’, door God geschapen voor gemeenschap met God, niet als buitenstaanders maar als personen die toegeleid worden naar een intieme deelname aan het goddelijk zijn.

Door het mens-zijn van Jezus te overwegen kunnen we onszelf leren te aanvaarden als menselijk en toe te geven dat het door God’s genade voor ons mogelijk is om te leven en te handelen zoals Hij deed –en volkomen te zijn, zoals God onze Vader volkomen is. Door nog dieper door te dringen in het mysterie van Jezus, gaan we ons eigen innerlijk mysterie nog intenser ervaren.

Dit boek loopt op twee benen. De helft van de hoofdstukken gaat over Jezus, de rest gaat over ons. Ik noem het een interactieve christologie, omdat we op twee benen moeten lopen als we verder willen. Ons begrip van Jezus groeit doordat we beschikken over onze eigen ervaring en daar op te reflecteren, en van de andere kant krijgt ons eigen leven betekenis in het licht van een dieper besef van de dynamiek van Christus’ leven.

Dit boek moet langzaam gelezen worden. Ik zou het niet overdreven vinden als de lezing ervan zich zou uitstrekken over bijna een heel jaar. Door het te lezen zal het je uitnodigen, zoals het mij dwong toen ik bezig was te schrijven, om je horizon te verbreden en dieper in je eigen hart te kijken. Voor sommigen zal het wellicht een moeilijk boek zijn omdat ik met verschillende middelen, daarbij inbegrepen de voetnoten, geprobeerd heb om snel lezen te voorkomen. Laat je niet afschrikken! Soms probeer ik je te verrassen, of je wakker te schudden, of je voor raadsels te plaatsen. Gewoonlijk leg ik uit wat aanvankelijk duister leek, en vaak kom ik in de loop van het boek verscheidene keren terug op een belangrijk punt, door het van allerlei verschillende kanten te belichten. Ik ben me ervan bewust dat wat ik geschreven heb voor sommige lezers een uitdaging zal zijn, maar ik heb dat opzettelijk gedaan, want de meesten van ons hebben diepere en scherpere concepten nodig om de lauwe al te grote simplificaties van ons geloof, die zovelen van ons vandaag de dag zo onbevredigend vinden, te overwinnen.

Het zal al wel snel duidelijk worden aan de lezer dat de bron van een groot deel van dit boek mijn eigen persoonlijke lezing is. Ik heb geen onmiddellijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp, maar veeleer teruggeroepen wat in mijn geheugen lag opgeslagen

gedurende verscheidene tientallen jaren. Onvermijdelijk zijn er overlappingen met wat ik al eerder eens ergens anders geschreven heb. Soms ben ik me daar bewust van, maar soms zal er waarschijnlijk ook wel iets tussendoor zijn geglipt zonder dat ik het in de gaten had. Het resultaat is ietwat chaotisch, maar ik hoop dat het in ieder geval een chaos is met enige samenhang.

De voornaamste invloed op dit boek komt van Bernardus van Clairvaux en de andere cisterciënzer vaders van de twaalfde eeuw, hun bronnen, met name Augustinus en Gregorius, en de vroege monastieke schrijvers zoals Evagrius en Johannes Cassianus en Benedictus. Voor diegenen die onbekend zijn met dit terrein heb ik een korte inleidende toelichting toegevoegd over de cisterciënzer spiritualiteit. Ik heb mijn citaten zorgvuldig aangeduid om de taak van diegenen die ze willen opzoeken te vergemakkelijken. Zo goed en zo slecht als het ging heb ik zo’n beetje alles zelf vertaald, deels omwille van de leesbaarheid, deels omwille van een enigszins consistent woordgebruik. Door deze werkwijze kon ik ook de last omzeilen om overal toesteming te vragen voor gebruik van grote blokken tekst waar auteursrecht op rust.

Ik hoop dat de worsteling om greep te krijgen op de boodschap van dit boek enige steun biedt aan ieder van jullie op jullie weg om volledig menselijk en volledig goddelijk te worden. Hier wil ik allen danken die, in de laatste tien jaar, me bemoedigd hebben om met dit thema bezig te blijven. Vooral ben ik Janette Murray en Eileen Slack dankbaar voor hun zorgvuldig nalopen van de ontwerptekst.

Michael Casey, OCSO
monnik van Tarrawarra,
11 juli 2003.

Noot bij het Voorwoord
[1] Alhoewel de term ‘vergoddelijking’ duidelijk afwezig is in het hedendaags religieus spreken, heeft het een lange geschiedenis in de christelijke spiritualiteit. De belangrijkheid ervan kan afgelezen worden aan het feit dat een recent naslagwerk er 89 kolommen wijdt, waarbij de ontwikkeling van dit thema wordt nagespeurd van de vroegste tijden tot de zeventiende eeuw. Zie Charles Baumgartner, e.a. [red.] Dictionnaire de Spiritualité, Deel III [Parijs, Beauchesne, 1967, kolom 1370-1459]. Dit begrip van vergoddelijking staat centraal in dit boek omdat het een uniek theologisch perspectief biedt op het spreken over spiritualiteit.