Inleiding zr. Ida Vanbrabant ocso

I N L E I D I N G

Als inleiding op deze vertaling van de ‘Institutiones’ (Instellingen afgekort: Inst.) van Cassianus enkele woorden over zijn leven en werken en over zijn geestelijke leer. Deze geestelijke leer vinden wij niet alleen in zijn ‘Collationes’ (Conferenties afgekort.Coll.), maar ook reeds, meestal zeer kernachtig uitgedrukt, in zijn ‘Instellingen’.

LEVEN EN WERKEN

Johannes Cassianus werd ongeveer zeventig jaar oud. Hij leefde een vijfendertig-tal jaren voor en eveneens een vijfendertig-tal jaren na 400 en dus zowat honderd jaar voor Sint Benedictus. Nog zeer jong koos hij samen met zijn vriend Germanus voor het monnikenleven. Ongeveer twee jaar leefden ze in een klooster te Bethlehem waar abbas Pinoefius (Coll. XX) hun cel-genoot was, dezelfde van wie Cassianus de bekende kledings-toespraak weergaf op het einde van het vierde boek van de ‘Instellingen’ (nrs. 32 43). Deze Egyptische Vader was namelijk de eer die hij in zijn klooster genoot ontvlucht, overzee, tot in Bethlehem toe, waar Cassianus het geluk had de cel met hem te delen. De voortvluchtige abbas werd echter ontdekt en naar zijn klooster teruggebracht (Inst. IV,30-31). Verlangend naar een hogere volmaaktheid (Coll. XI,I) verlieten de twee vrienden hun klooster te Bethlehem en trokken naar Egypte waar ze, behalve Pinoefius, verschillende andere Ouderen opzochten, van wie Cassianus later, in zijn ‘Collationes’, leven en leer zal weergeven. Ongetwijfeld zouden ze in Egypte gebleven zijn maar tijdens de strijd tussen de anthropomorfisten en de Origenisten moesten ze de wijk nemen naar Constantinopel waar ze door Johannes Chrysostomos goed ontvangen werden. Deze wijdde Germanus tot priester en Cassianus tot diaken. Maar ook Chrysostomos werd verbannen (in 404) en toen begaven onze vrienden zich naar Rome waar Germanus stierf en Cassianus priester werd gewijd. Cassianus sloot daar ook vriendschap met de latere paus Leo de Grote (geboren rond 390) voor wie hij zijn werk tegen Nestorius schreef namelijk ‘De Incarnatione Domini contra Nestorium’.

Rond 415 verliet hij Rome en trok naar Marseille waar hij twee kloosters stichtte, een voor monniken en een voor monialen. Daar schreef hij zijn ‘INSTITUTIONES’ of ‘Instituta coenobiorum’ of ‘De institutis coenobiorum et de octo principalium vitiorum remediis’. De laatste titel geeft zeker het best de inhoud weer: ‘De kloosterinstellingen en de geneesmiddelen voor de voornaamste acht ondeugden’.

Cassianus schreef dit werk op verzoek van de bisschop van Apt (Provence), Castor. De ‘Institutiones’ vormen zeker één geheel waarin we twee grote delen kunnen onderscheiden. Het eerste deel behandelt de kleding (Boek l), de gebedsdiensten (Boek II en III) en de vorming van wie-aan-de-wereld-verzaken, dit is van de monniken (Boek IV).

Het tweede deel beschrijft de strijd tegen de acht hoofdondeugden namelijk gulzigheid, ontucht, gierigheid, gramschap, droefheid, lusteloosheid, ijdele glorie en hoogmoed. De volgorde is ontleend aan hun onderlinge samenhang: de gulzigheid brengt de ontucht mee, de ontucht de gierigheid enz. Cassianus vond deze lijst bij Evagrius (+ 399) en Evagrius ontleende ze aan Origenes. Evagrius was echter de eerste die de ‘acedia’, de lusteloosheid, bij de hoofdondeugden voegde. De lusteloosheid is dan ook dé bekoring voor een monnik. We kunnen zeggen dat de eerste drie corresponderen met het lustvermogen, het ‘concupiscibile’ of ‘epithumétikon’: men wil één worden met het verlangde. De volgende drie corresponderen met het afweervermogen, het ‘irascibile’ of ‘thumikon’: men stelt zich op tegenover het andere. En de laatste twee corresponderen met het geestelijk vermogen, het ‘rationabile’ of ‘logikon’.

Het meest te duchten zijn de hartstochten die het minst van het lichaam afhangen. De geest van ijdele glorie en de geest van hoogmoed vallen vooral hen aan die in de strijd tegen de overige ondeugden de overwinning behaalden (Inst. XI, 1 en 2; XII,1).

Niet lang na de ‘Institutiones’ schreef Cassianus ook de ‘COLLATIONES’, de ‘Conferenties’ of ‘Gesprekken’. ‘Collatio’ is moeilijk door één woord weer te geven. Het is én een conferentie én een gesprek. Men zou kunnen zeggen: een onderrichting waarbij de dialoog een min of meer grote rol speelt.

Cassianus schreef vierentwintig Conferenties, verdeeld in drie delen: tien – zeven – zeven. Hij wijst op de symbolische betekenis van het getal vierentwintig dat herinnert aan de vierentwintig Oudsten voor de troon van het Lam (Apokalyps). Aan het Lam komt alle eer toe als de leer van deze door de Geest bezielde Vaders uit de woestijn de volheid van geestelijke diepte heeft kunnen bereiken, en als Cassianus hun leer en leven getrouw heeft kunnen weergeven (Coll. XXIV,1). In de eerste tien Conferenties wordt het hele proces beschreven dat je moet doormaken om te komen tot zuiverheid van hart, tot voortdurend gebed (zie Inst. II, 9,1 en Coll. IX, 1).

De andere veertien Conferenties zijn, zo zegt Cassianus zelf, uitleg en aanvulling van deze tien (Coll. XI, Proloog).

DE GEESTELIJKE LEER

Ik gaf als ondertitel bij deze vertaling van de ‘Institutiones’: Leven en Streven van Monniken. En inderdaad, reeds in de eerste vier boeken, maar vooral van het vijfde boek af gaat het om de strijd die elke monnik, elke mens tenslotte, te leveren heeft om de zuiverheid van hart, uiteindelijk het Koninkrijk Gods (Coll. I) te bereiken. Wat is daarvoor nodig? Veel doen? Veel presteren? Goede, verantwoorde daden stellen? Ja en neen. Natuurlijk moet je ook naar buiten toe moreel goed leven maar dat is lang niet voldoende. Je zou het zo kunnen uitdrukken: als monnik, als mens, ben je verantwoordelijk voor je daden. maar je bent ook verantwoordelijk voor je gedachten. Je bent verantwoordelijk voor je gedachten. We moeten komen tot de ‘discretio spirituum’, ‘het onderscheid van de geesten’, we moeten in onszelf ontdekken met welke geest we uiteindelijk bezield zijn, wat onze diepste inspiratie-bron is. Waaruit en waarvoor leven we? We moeten streven naar de innerlijke zuivering die ons in staat stelt de blik van ons hart en van onze geest op God te richten (vgl. Inst. V, 21). Ons innerlijk oog moet zuiver zijn.

Daarom is ‘discretie’ altijd en overal nodig. Ze is een zeer belangrijke gave van de Heilige Geest (Coll. II, vooral 1 en 23 zie ook 1 Korintiërs 12,10). Zonder de ‘discretio’, zonder de confrontatie met ons diepste zelf, komen we niet tot echte zuiverheid van hart.

We zijn niet alleen verantwoordelijk voor onze daden, we zijn ook verantwoordelijk voor onze gedachten.

Onze gedachten zo maar laten gaan, dat belet ons tot een diepe innerlijkheid te komen, dat bederft ook de sfeer waarin wij leven, de sfeer waar we allen verantwoordelijk voor zijn.

Tegenover het ‘afdwalen van de gedachten’, de ‘cogitationum pervagatio’ (Inst. XI, 15) stelt Cassianus de ‘eenheid van de gedachten’, de ‘cogitationum soliditas’ (Inst. X, 24). Slechts een ogenblik aflaten van de beschouwing van Christus ziet hij als zo’n ernstige vorm van ontrouw dat hij daarvoor het woord ‘geestelijke ontucht’ gebruikt (Coll. I, 13; zie ook Inst. V, 10; X, 3).

Maar hoe kunnen we die strijd strijden? Cassianus’ voornaamste middel is het gebed: je in je onmacht richten tot God van wie je alle hulp en kracht verwacht, en als gebedsformule geeft hij daarvoor het beginvers van psalm 69/70: “God kom mij te hulp, Heer haast U mij te helpen”. Dit gebed past in alle omstandigheden: zijn we lusteloos, angstig of bedroefd, worden we aangevallen door de geest van gulzigheid of ontucht, voelen we gramschap in ons opkomen, we kunnen bidden: “God kom mij te hulp, Heer haast U mij te helpen”. En niet alleen bij moeilijkheden, ook als het ons goed gaat nemen we onze toevlucht tot dit gebed, want de geest van ijdelheid en de geest van hoogmoed blijven ons belagen.

Dit psalmvers met nederig vertrouwen steeds weer herhalen helpt ons te komen tot zuiverheid van hart, tot voortdurend gebed. Deze vorm van gebed zuivert ons van de veelheid van gedachten en bereidt ons voor op de zuiverheid van de beschouwing. Ook zorgen en bekommernissen zijn daarvoor een grote belemmering (Coll. IX, 3-5; X, 10; XIX, 3 en 5). We denken nu aan Evagrius. Ook hij noemt in zijn ‘Verhandeling over het gebed’[1] (nrs. 45, 46, 71, 72, 105) als belangrijkste belemmeringen voor het gebed verstrooidheden en zorgen. Maar hèt beletsel is wel de gramschap (ibidem nrs. 20, 21, 22, 27).

Zo ook voor Cassianus: “We kunnen dan niet ontvankelijk zijn voor het ware licht van de Geest” (Inst. VIII,I) en “Opgesloten in ons hart kwetst onze toorn wel niet de mensen rondom ons, maar het heerlijk stralend licht van de Heilige Geest wordt evenzeer buitengesloten als wanneer onze toorn geüit werd” (Inst. VIII, 12). Gramschap geüit, gramschap in het hart: de Geest wordt buitengesloten, we kunnen niet meer bidden. Altijd weer stoten we dus op de verantwoordelijkheid voor onze gedachten, op het ontdekken van onze diepste motieven, van de geest die ons bezielt.

En wat me bijzonder opviel bij het lezen van Cassianus is dat hij het woord ‘adfectus’ gebruikt waar hij zegt dat voor het beoordelen van een daad niet het resultaat doorslaggevend is maar de ‘operantis adfectus’, dus de innerlijke gesteldheid van degene die handelt, zijn bedoeling, zoals gewoonlijk vertaald wordt, maar ook niet minder zijn gevoelens (Coll. Vl, 9; zie ook XVI, 26 en XVII, 20).

Dit zegt me iets omtrent de diepe eenheid van de mens. Niet alleen het willen is belangrijk, ook het voelen. Geestelijk leven doe je niet alleen met je wil, dat doe je vooral met je hart. De liefde leidt tot de zuiverheid van hart, liefde die uiteraard nederige liefde is. De liefde is zuiverheid van hart (Coll. 1,6 en 7), is God (Coll. XVI, 13). Niets mag gesteld worden boven de liefde (Coll. XVI, 7). De liefde leidt tot een zeer delicate vrees, namelijk de respectvolle vrees de liefde te kwetsen, en wie echt liefheeft wordt zacht en teder in woord en gebaar (Coll. XI, 13; vgl. integendeel Inst. VIII, 11-12).

Zo liefhebben gaat vanzelf gepaard met nederigheid. Om het met Sint Bernardus te zeggen (Sermo in Cantica 42, 6): de liefde baart nederigheid, een nederigheid die iets warms heeft, die warmte uitstraalt, juist omdat ze geboren wordt uit het hart, niet uit het verstand. Die nederigheid is basis van ons geestelijk leven, heerlijk geschenk van onze Heiland (Coll. XV, 7) en resultaat van de volharding in de strijd tegen de ondeugden, tegen de gedachten (Inst. XII, 33; zie ook V, 10; VI, 23; VII, 31). Deze strijd, deze ascese, die zelf genade is want we kunnen niets uit onszelf (Inst. XII, 17), deze ‘scientia actualis’, die voornamelijk in de ‘Institutiones’ beschreven wordt, moet dan ook noodzakelijk voorafgaan aan de ‘scientia spiritalis’, de geestelijke kennis, de Godsschouwing (Coll. XIV, 2 en 9; Inst. VIII, 18).

Wie door deze strijd heen nederig is geworden kan bidden, ja hij kan de psalmen bidden als zijn meest persoonlijk gebed, als was hijzelf de auteur. Hij kan komen tot de diepste vorm van Godsschouwing: zonder beelden, zonder woorden of gedachten, met heel zijn wezen gericht zijn op God (Coll. X, 11).

Het spreekt vanzelf dat wat ik hier neerschreef over Cassianus’ leer niet volledig is. Ik zou de tekenen die Cassianus geeft als kenmerkend voor de nederigheid (Inst. IV, 39,2) kunnen vergelijken met de trappen van nederigheid uit het zevende hoofdstuk van de Regel van Sint Benedictus -Sint Benedictus is hier duidelijk afhankelijk van Cassianus-, ik zou kunnen wijzen op het grote belang van een geestelijke vader voor wie de monnik al zijn gedachten blootlegt (Inst. IV, 9; vgl. Coll. Il, 10-12) of op de functie van de arbeid die door Cassianus ten zeerste wordt aangeprezen én om de armen te kunnen bijstaan en de gastvrijheid te kunnen beoefenen én om de lusteloosheid, de ‘acedia’, te voorkomen (Inst. II,3,3; IV,14; V,38; X: bijna geheel; Coll. XXIV, 11-12).

Laten we echter zelf lezen wat Cassianus schreef, dan zullen we bijvoorbeeld ontdekken dat hij ook niet de gave miste van een scherp psychologisch doorzicht en dat hij heel wat gevoel voor humor had. Lezen we in zijn ‘Instellingen’ maar even zijn beschrijvingen van het proces van de bekoring tot gierigheid (VII, 7-13), van een monnik die zijn gramschap opgesloten houdt in zijn hart (VIII, 11-12) of die zijn heil zoekt in de woestijn (VIII, 18-19), van een lusteloos (X, 2), ijdel (X1, 4-5 en 14-16) of hoogmoedig (XII, 27,2-6 en 29,2-3) monnik, dan zullen we meteen erkennen dat Cassianus niet alleen voor zijn tijd schreef maar dat zijn monniken evengoed de monniken van onze tijd zijn.

Cassianus schreef zijn ‘Instellingen’ en zijn ‘Conferenties’ als hulp om te komen tot de zuiverheid van hart. Zo was het zin voor zin, woord voor woord, trachten te begrijpen wat Cassianus voor zijn monniken schreef arbeid, en af en toe zelfs ascese, maar het was toch meestal een diep doordringende ‘lectio divina’, geestelijke lezing. Ik heb er in alle betekenissen van het woord heel veel deugd aan beleefd. Moge dit ook het geval zijn voor de lezers.

Voor deze vertaling bediende ik me van de uitgave van de ‘INSTITUTIONES’ in de reeks ‘Sources Chrétiennes’. De Franse vertaling van père Guy was me hierbij een goede hulp, waarvan ik dankbaar gebruik maakte. Ook wil ik pater Christofoor Wagenaar danken die me vroeg dit voor de monniken-wereld zo belangrijk werk te vertalen, en eveneens pater Frans Vromen die me welwillend zijn vertaling bezorgde van de toespraak van abbas Pinoefius (IV, 32-43) die ik grotendeels overnam. Ik dank de zusters van Bonheiden die deze uitgave verzorgden en met veel toewijding de vertaling zorgvuldig nakeken, wat me de gelegenheid gaf verschillende correcties aan te brengen. Ik ben mijn medezusters dankbaar die me dit werk van harte gunden.

Maar bovenal ben ik God dankbaar om de roeping die Hij me schonk, om de weg naar de zuiverheid van hart die ik mocht leren kennen. Moge zijn Geest mij en ook allen die deze vertaling lezen blijven behoeden en helpen om met een zuiver hart te leven, om warm-hartelijke mensen te worden

Ida Vanbrabant ocso

Brecht, Pinksteren 1984

~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~