Voorwoord Gesprek 1-10

Johannes Cassianus

Voorwoord bij Gesprekken 1-10

1. Mijn schuld tegenover de hoogwaardige bisschop Castor

heb ik, hoe dan ook, ingelost,

naar de maat van mijn bescheiden vermogen.

In het voorwoord op mijn vorige werk

had ik mij aan hem verplicht door mijn beloften.

Met Gods hulp hèb ik het geschreven:

twaalf boeken over de instellingen der kloosters

en de geneesmiddelen voor de acht voornaamste ondeugden.

Graag zou ik hierover zijn en uw billijk oordeel vernomen hebben:

of ik over een zo diepzinnige en verheven stof,

waarover bij mijn weten niet geschreven was,

iets heb voortgebracht wat waard was dat gij er kennis van nam,

en dat aan de verlangens van alle heilige broeders beantwoordde.

2. Dezelfde bisschop had mij,

in zijn onvergelijkelijke ijver voor de heiligheid,

ook opgedragen,

in dezelfde stijl de gesprekken van de voornaamste Vaders,

dat wil zeggen van de kluizenaars die in de woestijn van Scetis verbleven,

op schrift te stellen.

Zijn grote liefde belette hem zich rekenschap te geven

met wat voor gewicht hij mijn zwakke schouders belastte.

Omdat hij ons nu echter heeft verlaten en is heengegaan naar Christus,

heb ik gemeend, deze eerste tien aan u,

hoogwaardige bisschop Leontius

en eerwaarde broeder Helladius,

te moeten opdragen.

3.De een van u is immers met hem verbonden door het bloed

en door de bisschoppelijke waardigheid

en, wat meer is, door een heilige ijver:

wat aan zijn broer verschuldigd was, komt hem door erfrecht toe.

De ander heeft de navolging van het voortreffelijk leven der kluizenaars ondernomen,

zonder zich te laten leiden door eigen zin, zoals sommigen;

op ingeving van de heilige Geest betrad hij het waarachtige pad van de leer

nog bijna eer hij het had leren kennen,

en verkoos hun onderricht in plaats van zijn eigen bedenksels.

Hiermee gaat voor mij, die nog in de haven van het zwijgen lig,

een onmetelijke zee open:

4.ik moet het wagen

over het leven en de leer van zo grote mannen te schrijven.

Het broze scheepje van mijn verstand zal de gevaren lopen van een zóveel verdere reis,

als het kluizenaarsleven hoger staat dan dat der cenobieten,

als de beschouwing Gods, waarmee die onschatbare mannen altijd bezig zijn,

verheven is boven het werkende leven, dat men in de kloostergemeenten leidt.

Gij moet dus door uw vurig gebed mijn pogingen steunen,

opdat ze een zo heilige stof, die door een onkundige mond

nochtans getrouw verhaald moet worden, niet door mij in gevaar komt

of anderzijds mijn onbeholpenheid niet vergaat in de diepten van deze stof.

5. Laten wij dus van het uitwendige en zichtbare van het monnikenleven,

waarover ik in mijn vorige boeken heb gehandeld,

overgaan tot de onzichtbare gesteltenis van de inwendige mens.

Laat mijn woord zich van de beschrijving van de canonieke uren verheffen

tot het ononderbroken voortdurend gebed, dat de Apostel voorschrijft (1 Tess. 5,17).

Laat eenieder die door de lezing van mijn vorig werk

in geestelijke zin reeds de ondeugden van het vlees heeft onderworpen,

nu ook, door niet zozeer míjn lessen in zich op te nemen als wel die der Vaders,

in de beschouwing van Gods zuiverheid komen tot de verdiensten

en als ik zo spreken mag, de waardigheid van Israël,

en leren wat hij op deze top der volmaaktheid

moet onderhouden (vgl. Gen. 27,36 en 32,28).

6. Mogen uw gebeden dan van Hem, die mij waardig geoordeeld heeft, hen te zien,

van hen te leren en met hen te leven,

verkrijgen dat mijn geheugen niet te kort schiet

en dat ik mij gemakkelijk weet uit te drukken.

Dat ik hun onderricht met datzelfde heilige mag weergeven als het had in hun mond,

en even volledig.

Zo hoop ik hen, levend in hun lessen, vóór u te stellen

en wat meer is, in het Latijn.

Vóór alles willen wij de lezer van deze gesprekken, evenzeer als van mijn vorige boeken, waarschuwen!

Mocht hij soms het een of ander, uitgaand van zijn eigen staat en levenswijze

of van de gewone manier van doen en leven, onmogelijk achten en hard:

laat hij het niet afmeten naar zijn eigen kunnen,

doch naar de verdiensten en volmaaktheid van hen die hier aan het woord zijn.

Hij vorme zich eerst een denkbeeld van hun opzet en leven:

zij zijn dood voor het leven van deze wereld,

niet gebonden door gehechtheid aan hun bloedverwanten

of door enige wereldse bezigheid.

7. Voorts lette hij ook op de aard van hun verblijfplaats:

een onmetelijke woestijn, ver van alle gezelschap der mensen.

Hierdoor beschikken zij over een bijzonder geestelijk licht,

en vermogen dingen te zien en te zeggen,

die aan mensen zonder ondervinding en kennis

in vergelijking met hun gewone middelmaat

wellicht onmogelijk voorkomen.

Wil iemand evenwel hierover een juist oordeel vellen

en verlangt hij te beproeven of het uitvoerbaar is,

laat hij dan eerst zelf hun leven op zich nemen, in eenzelfde ijver en wandel:

dan zal hij ontdekken,

dat hetgeen de krachten van een mens te boven scheen te gaan,

niet alleen mogelijk maar zelfs heerlijk is.

Maar laten wij nu tot hun gesprekken overgaan.