Trappen van nederigheid en hoogmoed

Inleiding op de trappen van nederigheid en hoogmoed

 

“Het is onze wil, dat deze Regel dikwijls aan de gemeente wordt voorgelezen, zodat geen enkele broeder onwetendheid kan voorwenden” (Regel, Hfdst. 66). Aldus had de wijze Stichter van het westerse monnikswezen, Sint Benedictus, in zijn regel bepaald. Het laat zich denken dat aan dit verlangen bijzonder in de cisterciënzer orde, die juist een terugkeer tot de letter van de Regel beoogde, trouw tegemoet gekomen werd. Als jeugdig abt heeft ook Bernardus de H. Regel ernstig bestudeerd, voor zichzelf, maar niet minder voor zijn monniken, aan wie hij zo dikwijls de juist voorgelezen pericoop op het kapittel moest verklaren en belichten. Trouwens, zijn eigen geestelijke vader in Christus, de H. Stephanus, derde abt van Cîteaux, verdiende de eretitel: amator Regulae et loci, minnaar van de regel en de plaats, en diens voorganger, de H. Albericus eveneens: amator Regulae et fratrum. Maar wie de H. Regel uitlegt wordt als vanzelf getrokken naar dat fundamentele 7e hoofdstuk over de nederigheid, waarin Sint Benedictus een ladder opricht die als sporten 12 trappen van nederigheid bevat. Wie de top bereikt, bereikt “de hemelse verheffing waartoe de nederigheid van het leven hier op aarde ons brengt” (Regel, Hfdst. 7).

 

Deze verhandeling geeft ons de neerslag van wat Bernardus over dat onderwerp op het kapittel aan zijn monniken ten beste gaf (Voorwoord). Het zou als opschrift moeten dragen: “De trappen van nederigheid” (Nalezing), maar uit nederigheid werden het veeleer “De trappen van hoogmoed” (no. 57). Vandaar de dubbele titel die ze thans heeft. Vandaar ook de verdeling van de verhandeling. De eerste negen hoofdstukken spreken over de nederigheid, de overige zijn gewijd aan de trappen van hoogmoed.

 

In het eerste deel laat Bernardus de onderscheidingen die Sint-Benedictus in de regel maakt onaangeroerd. Zijn doel is duidelijk; hij wil de plaats bepalen die de nederigheid toekomt in het geestelijk leven. Op een geniale wijze ontwerpt hij in no. 21 een situatieschets. In het voorafgaande had hij de drie graden van waarheid uiteengezet: de eerste graad is de zelfkennis waartoe men opstijgt door de nederigheid, de tweede graad is de barmhartigheid bestegen door het hartelijk medelijden, de derde graad is de beschouwing van de waarheid in haar eigen natuur door de vervoering der beschouwing. Welnu, met deze drie graden correspondeert de werking van de Allerheiligste Drie-eenheid in de ziel. Het Woord verbindt zich met de rede, waardoor deze „tegen zichzelf het ambt van de Waarheid vervult. Uit deze verbintenis van het Woord met de rede wordt de nederigheid geboren,” want nederigheid is waarheid, is zelfkennis. Nu grijpt de H. Geest het andere eigen menselijk vermogen aan, de wil, en doordrenkt hem met hemelse zalving, “zodat uit deze tweede verbintenis van Gods Geest met de wil van de mens de liefde teweeggebracht wordt.” Nu is de ziel volmaakt wegens “haar nederigheid zonder smet en haar liefde zonder rimpel.” Nu kan de Vader zijn werking op haar uitoefenen. Hij verbindt haar aan zich als zijn doorluchtige bruid. Dan sluimert ze zacht in de langbegeerde omhelzing, ziet het onzichtbare en hoort het onuitsprekelijke.

In deze trits ziet Bernardus het zielegebeuren: nederigheid en liefde als de pijlers, overkoepeld door de beschouwing. Daarmee is de functie van de nederigheid, haar uiterst gewichtige taak, bepaald: de rede te onderwerpen aan het Woord. Wat een hoge opvatting van de nederigheid. Deze deugd is een innige, geheel persoonlijke verhouding van de ziel tot het Woord, alleen bekend aan de “Doorvorser der harten” (Hand. der Ap. 1, 24). Het groeiproces van de nederigheid speelt zich af onopgemerkt voor het oog van de mensen, in de verholenheid van de ziel. Het is de erkenning van de totale afhankelijkheid van de Schepper, het onschokbaar bewustzijn dat de genade genade is, d. w. z. gave om niet in de volle zin van het woord. Zo wordt de nederigheid een immanent beginsel, een uitgangspunt, een zwangerschap van vele deugden. Daarop kan nu de liefde bouwen, zoals de H. Regel reeds aanduidde: “Als de monnik al deze trappen van nederigheid beklommen heeft, zal hij onverwijld de volmaakte liefde tot God bereiken, waarvan geschreven staat, dat ze de vrees uitbant” (Regel, Hfdst. 7). En waar nederigheid en liefde aanwezig zijn, kan de Vader het werk voltooien door de ziel toe te laten tot het “Bruidsvertrek van de Koning.” Daarmee is dan de nederigheid gesitueerd, zoals de mysticus Bernardus het zag.

 

In het tweede deel neemt Bernardus de H. Regel tot leidraad. Hij volgt de sporten van de ladder, zoals Sint Benedictus die ontwierp, maar nu in tegengestelde richting. Bernardus immers beschrijft de trappen van de hoogmoed en niet van de nederigheid. Talloos zijn de pogingen om in de twaalf trappen ook werkelijk een gradatie van de nederigheid te zien. Velen ontkennen eenvoudig dat Benedictus dat bedoeld zou hebben. Het is daarom wel interessant de kronkels te volgen die het vernuft van Bernardus gaat om een echte opklimming te forceren.

Dit gedeelte verschilt zo in ieder opzicht van het eerste doel, dat we eerder van van een nieuwe verhandeling dan een tweede gedeelte van eenzelfde verhandeling zouden willen spreken.

De tekening van de nieuwsgierige, de onbestendige, de zelfvoldane, de grootsprakige monnik, om slechts enkele te noemen, is zo geestig, zo kostelijk raak, zo zielkundig juist, dat we er hier niet verder op willen ingaan, om de lezer het genoegen ten volle zelf te laten smaken. Naar aanleiding hiervan besloot iemand: “Hieruit blijkt wel dat Bernardus, ondanks de gestrenge bewaking van zijn ogen, een schrander opmerker was” (Luddy, Life and teaching of St. Bernard, 1937, pag. 85). Alleen willen wij hier nog de aandacht vestigen op de diepzinnige ontleding van de tweestrijd in het hart van de zondaar tussen Gods barmhartigheid en Gods rechtvaardigheid in de nummers 32 en 33.

 

De wezensbepaling die Bernardus in no. 2 geeft van de nederigheid, als de deugd “waardoor de mens zich waarlijk leert kennen, en nietswaardig wordt in eigen ogen” moet ons niet misleiden, alsof Bernardus in de nederigheid een deugd van het verstand zag. Al gaf zijn definitie wel eens voedsel aan misverstand, Bernardus weet toch zeer goed, dat de nederigheid en deugd van de wil is. Het streven naar dingen die te hoog zijn wordt immers beteugeld. Maar het verstand moet voorlichten. Daarom is de eerste voorwaarde: zelfkennis. Wij mogen daartoe verwijzen naar de 42e toespraak op het Hooglied, die geheel over de nederigheid handelt. Daarin laat de heilige zien dat Christus alleen nederig in de wil kon zijn, maar niet door een verstandelijk oordeel. “Hij kon zichzelf niet gering en verachtelijk achten, want Hij kende zichzelf. Door zijn wil derhalve was Hij nederig, niet door een verstandelijk oordeel” (George Bosworth Burch, The steps of humility, Journal of Philosophy 37, 1940, p. 637). Volgens een regel van gezonde exegese moet een onduidelijke passage van een schrijver verklaard worden door een andere, wel duidelijke passage uit zijn werken.

 

De datum van dit tractaat is niet nauwkeurig vast te stellen. Het behoort in ieder geval tot zijn jeugdwerk. Vroeger hield men het voor zijn eerste werk, maar het schijnt geplaatst te moeten worden achter de verhandeling over de liefde tot God en die over de „Engel des Heren” (Burch, The steps of humility, p. 637).

 

 

SINT BERNARD

Verhandeling over de trappen van nederigheid en hoogmoed

 

VOORWOORD

 

Ge hebt me gevraagd, broeder Godfried, de toespraken die ik over de trappen van nederigheid voor mijn medebroeders gehouden had, voor u in een vollediger verhandeling uiteen te zetten. Daar ik aan uw verzoek op een passende wijze wilde voldoen, maar vreesde er niet toe in staat te zijn, schoot me de raad van het Evangelie te binnen: en niet eerder, ik beken het, heb ik durven beginnen, dan nadat ik had zitten berekenen of de middelen voorhanden waren om het werk te voltooien (Luk. 14, 28). Toen echter de liefde deze vrees had buitengeworpen, namelijk om bespot te worden om een werk dat ik niet voltooid had, bekroop mij een geheel andere vrees, en ik begon een ernstiger gevaar te zien in de roem in geval ik klaar zou komen met het werk, dan in de smaad wanneer ik zou blijven steken.

Zo heb ik, als bevond ik me op een tweesprong, lang geaarzeld tussen de vrees en de liefde: aan welke weg zou ik me veilig kunnen toevertrouwen? Want ik was bang, of met nut te spreken over de nederigheid en te blijken zelf niet nederig te zijn, of nederig te zwijgen maar dan nutteloos te worden. Toen ik bemerkte, dat het op geen van beide wegen veilig is en ik toch een van beide moest inslaan, leek me het verkieslijker dat ook gij enige vrucht van mijn woorden, voor zover ik daartoe in staat ben, zou ontvangen, dan alleen mezelf veilig te stellen in de haven van het stilzwijgen: want ik heb het vertrouwen, enerzijds ­ mocht ik iets schrijven wat u bevalt – dat ik door uw gebeden in staat zal zijn niet hovaardig te worden; anderzijds, als ik niets tot stand breng wat uw ijver waard is – en dat denk ik eerder – dat over niets me te verhovaardigen toch onmogelijk zal zijn.

 

EERSTE HOOFDSTUK

Christus is de weg der nederigheid die geleidt tot de waarheid.

  1. Nu ik dus over de trappen van nederigheid ga spreken, die de zalige Benedictus (Regel, Hfdst. 7) ons niet voorhoudt om ze te tellen maar om ze te bestijgen, zal ik eerst laten zien, als ik kan, het doel waarheen ze moeten leiden. Want als men gehoord heeft wat de vrucht is van het bereiken van dat doel, zal de inspanning van het klimmen niet zo bezwaarlijk zijn. De Heer houdt ons dus de inspanning van de weg voor, maar ook de beloning voor de inspanning: “Ik ben de weg, zegt Hij, de waarheid en het leven” (Joh. 14, 6). De nederigheid noemt Hij de weg, die leidt tot de waarheid. Het eerste is de inspanning, het tweede de vrucht van de inspanning. Hoe weet ik, zegt gij, dat Hij daar over de nederigheid gesproken heeft, daar Hij toch zonder meer zegt: Ik ben de weg? Hoor het dan hier duidelijker: “Leert van Mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte” (Matt. 11, 29). Zichzelf houdt Hij dus voor als het voorbeeld van nederigheid, als het model van zachtmoedigheid. Als ge Hem navolgt wandelt ge niet in het duister, maar zult ge het licht des levens bezitten (Joh. 8, 12). Wat is het licht des levens anders dan de waarheid, die iedere mens verlicht die in de wereld komt en die ons wijst waar het waarachtig leven is? Toen Hij dus gezegd had: Ik ben de weg en de waarheid, voegde Hij eraan toe: en het leven, alsof Hij wilde zeggen: Ik ben de weg die leidt tot de waarheid; Ik ben de waarheid die het leven belooft, Ik ben het leven dat Ik geef. “Want dit is het eeuwige leven, staat er, dat zij U kennen, de waarachtige God, en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus” (Joh. 17, 3).

Ofwel, stel dat ge zegt: De weg zie ik, dat is de nederigheid, en ik verlang naar de vrucht ervan, de waarheid; maar als de inspanning van de weg zo groot is dat ik de begeerde winst niet kan bereiken, wat dan? Dan antwoordt Hij: “Ik ben de weg,” dat wil zeggen de teerspijs waardoor gij op krachten blijft onderweg. Hij roept dus tot hen die dwalen en de weg niet weten: “Ik ben de weg.” Tot de twijfelaars en de ongelovigen: “Ik ben de waarheid.” Tot hen die reeds stijgen, maar moede worden: “Ik ben het leven.”

Nu is het toch wel duidelijk genoeg aangetoond, lijkt me, uit de voorgehouden passage van het Evangelie dat de kennis der waarheid de vrucht van de nederigheid is. Maar hier is nog een bewijs: “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen – ongetwijfeld de geheimen van de waarheid – hebt verborgen voor de wijzen en verstandigen, – dit is voor de hovaardigen – en ze geopenbaard hebt aan de kleinen” (Luk. 10, 21), – dit is aan de nederigen. Ook hieruit blijkt weer dat de waarheid, die voor de hovaardigen wordt verborgen, aan de nederigen wordt geopenbaard.

 

  1. Van de nederigheid kunnen we de volgende definitie geven: De nederigheid is de deugd waardoor de mens zich waarlijk leert kennen en nietswaardig wordt in eigen ogen. Zij komt toe aan hen die opgangen hebben gebaand in hun hart, en van deugd tot deugd, dit is, van trap tot trap vooruitgaan tot zij de top der nederigheid bereiken, vanwaar zij, als vanaf de Sion, dit is door bespiegeling [speculatio betekent eigenlijk uitkijkpost], de waarheid aanschouwen. “Immers,” staat er, “de Wetgever zal zijn zegen geven” (Ps. 84, 8 Vulgaat). Want Hij die de wet heeft gegeven, zal ook zijn zegen geven, dat wil zeggen: Hij die de nederigheid gebood, zal ook geleiden tot de waarheid. Wie is echter deze wetgever anders als de liefderijke en rechtvaardige Heer, die de wet stelt aan hen die een misstap begaan op hun weg (Ps. 25, 8). Een misstap op hun weg immers begaan zij die de waarheid verlaten. Maar worden ze, zelfs als ze dat doen, door de liefderijke Heer verlaten? Neen, juist voor hen geeft de liefderijke en gerechte Heer de wet, de weg der nederigheid, om daarlangs terug te keren tot de kennis der waarheid. Hij stelt hen in de gelegenheid het heil te herwinnen, omdat Hij vol liefde is. Echter niet zonder de tucht van een wet, omdat Hij rechtvaardig is. Vol liefde, omdat Hij hun ondergang niet toelaat; rechtvaardig, omdat Hij de straf niet vergeet.

 

TWEEDE HOOFDSTUK

De vrucht van de nederigheid is de liefde

 

  1. Deze wet dus waardoor men terugkeert tot de waarheid, heeft de zalige Benedictus over twaalf trappen verdeeld. Zoals men door de tien geboden van de wet en de tweevoudige besnijdenis (waardoor het getal twaalf wordt bereikt) tot Christus komt, zo zal men ook door de bestijging van deze twaalf trappen ontvankelijk worden voor de waarheid. Het feit ook dat de Heer verscheen staande aan het boveneinde van de trap, die als het type van de nederigheid aan Jacob werd getoond (Gen. 28, 12), wat suggereert dit ons anders dan dat de kennis van de waarheid het toppunt is van de nederigheid? De Heer immers blikte neer van boven van de trap op de kinderen der mensen als de Waarheid, welks ogen niet willen bedriegen maar evenmin bedrogen kunnen worden. En Hij keek, of er niet een verstandig is, niet een die God zoekt.

Of schijnt het U niet toe, dat Hij hen die Hem zoeken toeroept en tot hen zegt (Hij weet immers wie Hem toebehoren): “Komt tot Mij allen die Mij begeert en verzadigt u aan mijn vruchten” (Wijsh. v. Jezus Sirach 24, 19)? En ook dit: “Komt allen tot mij die zwoegt en belast zijt, en Ik zal u verkwikken” (Matt. 11, 28). Komt, zegt Hij. Waar naar toe? Naar mij, de Waarheid. Waarlangs? Langs de nederigheid. Wat is het voordeel ervan? Ik zal u verkwikken. Maar wat is de verkwikking die de Waarheid belooft aan hen die de top bereiken? Is het misschien de liefde zelf? Deze immers, zegt de zalige Benedictus, zal de monnik spoedig bereiken, wanneer hij al de trappen van nederigheid bestegen heeft. Ja, een heerlijke en fijne spijs is de liefde die de vermoeiden opricht, de zwakken sterkt, de bedroefden verblijdt. Het juk van de Waarheid maakt zij zacht, haar last maakt zij licht.

 

  1. Het is een goede spijs, de liefde! Midden op de schotel van Salomo heeft ze haar plaats, en met de geur van velerlei deugden als met het aroom van allerhande welriekende specerijen verkwikt ze de hongerigen en verblijdt zo hen die zich komen verkwikken. Daar immers wordt vrede opgediend, geduld, welwillendheid, lankmoedigheid en vreugde in de Heilige Geest. En alle andere vruchten van waarheid of wijsheid die er zijn, worden met haar voorgezet.

Op dezelfde schotel heeft ook de nederigheid haar gerechten: het brood der smarten en de wijn der rouwmoedigheid, die de Waarheid op de eerste plaats de beginnelingen toereikt. Tot hen immers wordt er gezegd: “Staat op van uw zitten, gij die het brood der smarten eet” (Ps. 127, 2).

Daar ook geniet, uit het vet der tarwe, de contemplatie de vaste spijs der wijsheid, samen met de wijn die het mensenhart verblijdt. Hiertoe nodigt de Waarheid de volmaakten uit, zeggend: “Eet, vrienden en drinkt; en wordt dronken, mijn allerliefsten” (Hgl. 5, 1). “In het midden,” staat er, “heeft Hij de liefde een plaats gegeven met het oog op de dochters van Jeruzalem” (Hgl. 3, 10), de onvolmaakte zielen namelijk. Want zolang deze die sterke spijs nog niet kunnen verdragen, moeten ze met de melk der liefde worden gevoed in plaats van met brood, met olie in plaats van met wijn. En terecht wordt ze beschreven als het midden, omdat haar zoetheid voor de beginnelingen nog onbereikbaar is – de vrees belet het immers – maar voor de volmaakten niet meer volstaat, wegens de overvloediger zoetheid der beschouwing. De eersten moeten nog gezuiverd worden van de schadelijke vochten der vleselijke genoegens door de zeer bittere drank van de vrees en genieten de zoetheid van de melk nog niet. De laatsten zijn al ontwend aan de melk , en hun vreugde is het, een glorieuzer maaltijd te houden daar zij de glorie reeds binnengaan. Haar zoetheid is alleen voor de middelsten, namelijk de gevorderden. Zij hebben al wat honingzoete slokjes van de liefde geproefd en moeten daarmee voorlopig wegens hun zwakte tevreden zijn.

 

  1. De eerste spijs is dus de nederigheid, een spijs die zuiverend werkt en bitter smaakt. De tweede is de liefde, een die troost schenkt en een zoete smaak heeft. De derde de beschouwing, een spijs die krachtig is en versterkend. Wee mij, Heer God der heerscharen! “Hoelang nog zult Ge verstoord zijn op het gebed van uw dienaar, zult Ge me tranenbrood te eten geven en tranen te drinken” (Ps. 80, 5-6)? Wie zal mij uitnodigen desnoods nog maar tot dat middelste en zoete gastmaal van de liefde, waar de rechtvaardigen maaltijd houden voor het aanschijn van God, en zich in blijdschap verheugen! Dan zal ik niet meer spreken in mijn bitterheid en zeggen tot God: Veroordeel me niet, maar ik zal feest vieren met de ongedesemde broden van reinheid en waarheid, en blijde ’s Heren wegen bezingen: hoe groot toch is de glorie van onze Heer (Ps. 138, 5).

Niettemin is het een voortreffelijke weg, de weg der nederigheid, want de waarheid wordt er achterhaald, de liefde wordt er verkregen, en men heeft er deel aan de vruchten van de wijsheid. En zoals Christus het einde is der wet (Rom. 10, 4), zo is de volmaaktheid van de nederigheid de kennis der waarheid. Toen Christus kwam bracht Hij de genade. En aan hen wie de waarheid zich openbaart, geeft zij de liefde. Zij openbaart zich echter aan de nederigen; aan de nederigen dus geeft zij genade.

 

DERDE HOOFDSTUK

Hoe we de waarheid leren kennen en hoe Christus door zijn lijden barmhartigheid geleerd heeft

 

6.Tot nu toe heb ik gezegd, zo goed ik kon, met welke vrucht men de trappen van nederigheid moet bestijgen. Nu zal ik zeggen, zo goed ik kan, in welke volgorde zij u naar de beloofde prijs van de waarheid geleiden. Maar omdat de kennis zelf van de waarheid in drie trappen bestaat, onderscheid ik ze hier in het kort, zover ik dat kan. Dan zal daaruit duidelijker blijken tot welke van de drie trappen van de waarheid de twaalfde van de nederigheid voert.

We streven naar de waarheid in onszelf, in onze naasten, in haar eigen natuur. In onszelf door ons te oordelen; in de naasten door met hun kwalen mee te lijden; in haar natuur door haar met een rein hart te beschouwen. Let niet alleen op het getal, maar ook op de volgorde. Vooreerst, laat de Waarheid zelf u leren, dat zij eerst in de naaste en daarna pas in haar eigen natuur achterhaald moet worden. Daarna zult ge inzien, waarom gij haar eerder in uzelf dan in uw naasten moet achterhalen. Inderdaad, in de opsomming van de zaligheden die de Heer in zijn Bergrede onderscheidt, plaatst Hij de barmhartigen vóór de reinen van hart. De barmhartigen immers ontdekken snel de waarheid in hun naasten, daar zij hun genegenheid tot hen uitstrekken en zich door hun liefde zo aan hen gelijkvorming maken, dat ze het lief en leed van de naasten aanvoelen als hun eigen lief en leed. Met de zwakken voelen zij zich zwak; ze gloeien van toorn met hen die ergernis ondervinden (2 Kor. 11, 29). Blij te zijn met de blijden en te wenen met de wenenden is hun gewoonte (Rom. 12, 15). Door de broederliefde wordt de blik van het hart gereinigd, en nu vinden ze er hun vreugde in de waarheid in haar eigen natuur te beschouwen, want juist uit liefde daarvoor dragen zij het leed van anderen.

Wie zich echter niet op deze wijze bij hun broeders aansluiten maar integendeel te keer gaan tegen hen die wenen en krenken die zich verheugen, – en dit komt omdat zij niet in zichzelf voelen wat in de anderen omgaat, daar zij niet gelijkgestemd zijn – hoe zouden zij de waarheid in hun naasten kunnen ontdekken? Want op hen is uitstekend het bekende spreekwoord toepasselijk: Een gezonde weet niet wat een zieke voelt, en een verzadigde weet niet wat een hongerige verduurt. Maar omdat een zieke met een zieke en een hongerige met een hongerige overeenkomt, daarom voelen ze ook des te dieper met elkaar mee. Want zoals de zuivere waarheid slechts met een zuiver hart gezien wordt, zo wordt het lijden van een broeder dieper door een zelflijdend hart gevoeld. Maar om met het lijden van anderen medelijden te hebben, moet gij eerst uw eigen lijden kennen. Dan zult ge de gesteldheid van uw naaste in uw eigen gesteldheid terugvinden en uit eigen ervaring weten, hoe ge hem te hulp moet komen. Dit is ook het voorbeeld van onze Zaligmaker, Hij, die heeft willen lijden om te kunnen medelijden, die erbarmelijk wilde worden om de barmhartigheid te leren. Want zoals van Hem geschreven staat: “Hij heeft door zijn lijden gehoorzaamheid geleerd” (Hebr. 5, 8), zo heeft Hij ook de barmhartigheid willen leren. Niet dat het Hem voordien onmogelijk was zich te erbarmen, want zijn barmhartigheid is van alle eeuwigheid en tot in eeuwigheid blijft ze bestaan. Maar wat Hij kende door zijn wezen van alle eeuwen, leerde Hij door ervaring in de tijd.

 

  1. Maar misschien vindt ge het al te bar, dat ik zeg dat Christus, Gods wijsheid, barmhartigheid geleerd heeft. Alsof Hij door wie alles geschapen is ooit iets niet geweten heeft van alles wat is: vooral daar de tekst uit de Hebreeënbrief, die ik als bewijs aanhaalde, ook in een andere zin verstaan kan worden die niet zo dwaas lijkt. Namelijk als men het gezegde “Hij heeft geleerd” niet op het Hoofd zelf laat slaan, maar op zijn Lichaam, dat is de Kerk. Dan is de betekenis van: Hij heeft door zijn lijden gehoorzaamheid geleerd, deze: Hij heeft gehoorzaamheid geleerd in zijn Lichaam, door het lijden dat Hij verduurd heeft in zijn Hoofd. Want die dood, dat kruis, de beschimpingen, het speeksel, de geselslagen, al datgene wat ons Hoofd Christus heeft doorgemaakt, wat waren het anders voor zijn Lichaam, dit is voor ons, als schitterende lessen van gehoorzaamheid! Want Christus, zegt Paulus, “is de Vader gehoorzaam geworden tot de dood” (Fil. 2, 8). Waarom was dat nodig? Laat de apostel Petrus het antwoord geven: “Christus heeft voor u geleden, en u aldus een voorbeeld nagelaten, opdat gij zijn voetstappen zoudt volgen” (Petr. 2, 21), dit is, opdat gij zijn gehoorzaamheid zoudt volgen. Door zijn lijden leren dus wij die louter mensen zijn, hoeveel we voor de gehoorzaamheid moeten doorstaan, waarvoor Hij die tegelijk ook God was niet geaarzeld heeft te sterven. En op deze wijze, zegt ge, zal het niet ongerijmd zijn, als men van Christus zegt, dat Hij gehoorzaamheid of barmhartigheid of iets anders in zijn Lichaam heeft geleerd, als men maar vasthoudt, dat Hij in zijn eigen persoon niets heeft kunnen bijleren wat Hem vroeger verborgen was. En zo is Hij die ons onderwijst barmhartig te zijn of te gehoorzamen dezelfde als die het aanleert, want Hoofd en Lichaam zijn één Christus.

 

  1. Ik zeg niet, dat deze opvatting onjuist is. Maar op een andere plaats van dezelfde brief schijnt de eerste uitleg bevestigd te worden, waar staat: “Neen, niet engelen trok Hij zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij zich aan. En daarom moest Hij in alles gelijk worden aan zijn broeders om barmhartig te worden” (Hebr. 2, 16-17). Volgens mij verwijzen deze woorden dusdanig naar het Hoofd, dat ze onmogelijk op het Lichaam kunnen worden toegepast. En let wel, het is van het Woord Gods gezegd dat Het zich geen engelen heeft aangetrokken, dit is, niet hen heeft Het met zich tot één persoon verenigd, maar het zaad van Abraham. We lezen immers niet: Het Woord is engel geworden, maar: “Het Woord is vlees geworden” (Joh. 1, 14), en vlees van Abrahams vlees, volgens de belofte die hem het eerst gedaan is. Daarom, dit is, tengevolge van het feit dat Hij zich met dit zaad verenigd heeft, moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden, dit is, betaamde het, ja was het noodzakelijk dat Hij, evenals wij blootgesteld aan lijden, alle vormen van onze ellenden, behalve de zonde, zou doormaken. Als ge vraagt: waarom was dat nodig, dan zegt Hij: om barmhartig te worden. En waarom, zegt gij, kan dit nu niet op het Lichaam slaan? Luister maar wat er even verder volgt: “Want juist omdat Hij zelf heeft geleden en zelf werd beproefd, kan Hij ook hen helpen die worden beproefd” (Hebr. 2, 18). Ik zie niet in, dat men uit deze woorden iets beters zou kunnen lezen dan dat Hij daarom wilde lijden en beproefd worden en wilde delen in alle menselijke ellenden, behalve de zonde (dat is, in alles aan zijn broeders gelijk worden), om juist door die ervaring te leren, met hen die hetzelfde lijden en dezelfde beproevingen verduren te kunnen meevoelen en barmhartig voor hen te kunnen zijn.

 

  1. Ik wil echter niet zeggen, dat Hij door deze ervaring wijzer geworden is, maar dat Hij ons nu nader schijnt te staan. Want nu hoeven de zwakke kinderen van Adam die Hij tot zijn broeders heeft willen maken en hen ook aldus heeft willen noemen (Hebr. 2, 11), niet meer te aarzelen hun zwakheden toe te vertrouwen aan Hem die ze kan genezen wijl Hij God is, die het wil wijl Hij hun naaste is, en ze kent wijl Hij hetzelfde geleden heeft. Daarom noemt Jesaja Hem een “Man van smarten, een die het lijden kent” (Jes. 53, 3). En de Apostel zegt: “Want we hebben geen Hogepriester die onze zwakheden niet meevoelen kan.” Hoe Hij dat kan, geeft hij aan door er bij te voegen: “Hij werd beproefd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde” (Hebr. 4, 15). Als God immers volmaakt gelukkig, was de Zoon van de gezegende God in die gestalte waarin Hij de gelijkheid met zijn Vader geen roof hoefde te achten, zonder twijfel niet aan lijden onderhevig, voor Hij zich ontledigde door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Fil. 2, 6-7); en zoals Hij toen lijden en onderworpenheid niet ervaren had, zo kende Hij toen uit ervaring evenmin barmhartigheid en gehoorzaamheid. Hij kende ze wel door zijn wezen, niet echter uit ervaring. Maar toen Hij zich vernederde, niet alleen beneden zichzelf, maar zelfs een weinig beneden de engelen – die ook niet kunnen lijden door de genade, wel echter door hun natuur – tot die gestalte waarin Hij kon lijden en onderworpen kon zijn, wat Hij immers (zoals gezegd) in zijn eigen gestalte niet kon, toen leerde Hij door het lijden de barmhartigheid, en door zich te onderwerpen de gehoorzaamheid. Maar door deze ervaring is in Hem niet de kennis toegenomen, zoals ik gezegd heb, maar wel in ons het vertrouwen, want door deze pijnlijke vorm van kennis is Hij van wie wij verre waren afgedwaald, ons meer nabij geworden. Hadden wij immers ooit tot Hem durven naderen, als Hij in de toestand was gebleven waarin Hij niet kon lijden? Nu echter spoort de raadgeving van de Apostel ons aan, met vertrouwen op te gaan tot de troon der genade van Hem (Hebr. 4, 16), van wie wij immers weten dat Hij, zoals op een andere plaats geschreven staat, onze kwalen heeft gedragen en onze smarten heeft getorst (Jes. 53, 4). En we hoeven er niet aan te twijfelen dat Hij met ons kan meevoelen in datgene waarin Hijzelf geleden heeft.

 

  1. Het mag dus niemand als een ongerijmdheid voorkomen, als er beweerd wordt, wel niet dat Christus iets is begonnen te weten wat Hij voordien niet wist, maar dat Hij op één manier barmhartigheid kende van alle eeuwigheid door zijn Godheid en dat Hij ze op een andere manier in de tijd geleerd heeft door mens te worden. En zie eens of de Heer niet dezelfde manier van spreken gebruikt heeft, toen Hij aan zijn leerlingen die Hem vroegen naar de laatste dag, ten antwoord gaf dat Hij hem niet kende. Want hoe zou Hij die dag niet kennen, in wie alle schatten geborgen zijn van wijsheid en kennis (Kol. 2 ,3)?

Waarom ontkende Hij dan te weten wat Hij toch zonder de minste twijfel moest weten? Wilde Hij misschien met een leugen verbergen wat voor Hem niet nuttig kon zijn, als het bekend werd? Onmogelijk! Zoals Hij nooit iets niet kan weten daar Hij de wijsheid is, zo kon Hij ook nooit liegen daar Hij de waarheid is. Maar Hij wilde zijn leerlingen afhouden van een nutteloos nieuwsgierig gevraag en daarom zeide Hij dat Hij niet wist wat zij vroegen. Hij ontkende het wel niet zonder meer, maar op een manier waarop Hij dat naar waarheid kon doen. Want al kon Hij met de blik van zijn godheid gelijkelijk alles doorzien, verleden, heden en toekomst, en was Hem dus ook die dag bekend, met de zintuigelijke ervaring van zijn vlees wist Hij hem nog niet. Anders had Hij de antichrist reeds met de adem van zijn mond gedood. Dan had Hij reeds met de oren van zijn lichaam de aartsengel horen roepen en op de bazuin blazen ten teken dat de doden moesten verrijzen. Dan had Hij reeds met de ogen van zijn vlees de schapen en de bokken gezien die dan van elkaar gescheiden moeten worden.

 

  1. Begrijp mij dus goed, Hij getuigde slechts dat Hij met de kennis die men door het lichaam verwerft niets van die dag afwist. Daarom gaf Hij een behoedzaam antwoord en zei Hij niet: “Ook ik ken hem niet,” maar: “Ook de mensenzoon kent hem niet” (Mark. 13, 32). Wat is “Mensenzoon” anders dan de naam van het aangenomen lichaam? Door die naam toch wordt te verstaan gegeven dat Hij, met te zeggen dat Hij iets niet weet, niet spreekt als God, maar voor zover Hij mens is. Want als Hij elders over zichzelf spreekt naar zijn godheid, zegt Hij meestal niet “Zoon” of “Mensenzoon” maar “Ik” of “Mij.” Bijvoorbeeld hier: “Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, voor Abraham werd, ben Ik” (Joh. 8, 58). “Ben Ik,” zegt Hij, en niet: “is Mensenzoon.” Ongetwijfeld sprak Hij over die natuur waardoor Hij voor Abraham en zonder begin is, niet over die waardoor Hij na Abraham en uit Abraham geboren is. En evenzo op een andere plaats waar Hij aan zijn leerlingen vraagt, wat de mensen van Hem denken, zegt Hij: “Wie zeggen de mensen, niet: dat Ik ben, maar: dat de Mensenzoon is?” En als Hij hen daarna zelf ondervraagt, welke mening zij wel van Hem hadden, zegt Hij wederom: “Maar gij, wie zegt gij, niet: dat de Mensenzoon is, maar dat Ik ben” (Matt. 16,13).

Toen Hij vroeg naar de mening van het vleselijk volk over zijn vlees, noemde Hij een vleselijke naam, wat “Mensenzoon” in zijn eigenlijke betekenis toch is. Maar toen Hij zijn geestelijke leerlingen over zijn godheid ondervroeg, zei Hij niet “Mensenzoon,” maar veelbetekenend “Ik.” Petrus begreep dan ook wat Hij hun gevraagd had toen Hij zei “Ik,” en hij toonde dat ook door zijn antwoord: “Gij zijt, sprak hij, niet: Jezus, de zoon der Maagd, maar Christus, de Zoon van God” (Matt. 16, 16). Als hij het eerste had geantwoord, had hij zeker evengoed de waarheid gesproken. Maar door de woorden waarin de vraag gesteld was, zag hij schrander de bedoeling van de vraag en gaf op de vraag het passende en rake antwoord: “Gij zijt Christus, de Zoon van God.”

 

  1. Nu Gij dus ziet dat Christus in een persoon twee naturen heeft, een waarin Hij altijd bestaan heeft, een andere waarin Hij is begonnen te bestaan; en dat Hij naar zijn eeuwig bestaan altijd alles weet, maar dat Hij naar zijn tijdelijk bestaan veel in de tijd ondervonden heeft, waarom aarzelt ge dan te belijden dat, zoals Hij in de tijd begonnen is te bestaan, Hij ook het lichamelijk lijden is begonnen te kennen, en wel op deze wijze van kennen die we opdoen door de zwakheid van het vlees?

Onze eerste ouders zouden werkelijk wijzer en gelukkiger geweest zijn, als ze dit soort kennis niet hadden gehad, aangezien ze het slechts op een domme en pijnlijke manier konden verwerven. Maar hun Schepper, God, zocht weer op wat verloren was en ging vol ontferming zijn maaksel achterna. Vol erbarmen daalde Hij zelf af naar waar zij zo erbarmelijk waren neergestort. Hij wilde in zichzelf ondervinden wat zij, doordat ze tegen zichzelf gehandeld hadden, terecht ondergingen. En dit niet uit een zelfde nieuwsgierigheid, maar uit ondoorgrondelijke liefde. Niet om erbarmelijk met erbarmelijken te blijven, maar om barmhartig te worden en hen uit hun erbarmelijke toestand te bevrijden.

Om barmhartig te worden, zeg ik; ik bedoel daarmee niet die barmhartigheid die Hij in zijn staat van geluk van alle eeuwigheid bezat, maar die welke Hij door het lijden verkreeg in onze gestalte. Ja, het werk van zijn ontferming, dat Hij door de eerste begon, voltooide Hij in de tweede. Niet dat Hij het door die eerste barmhartigheid alleen niet kon voltooien, maar omdat deze zonder de laatste voor ons niet kon volstaan. Beide zijn dus noodzakelijk, maar de laatste paste meer bij ons. O onuitsprekelijke goedheid Gods, die dit heeft uitgedacht! Wanneer hadden wij wel ooit durven denken aan die wondere barmhartigheid die door een voorafgaand lijden wordt opgewekt? Wanneer zou de gedachte in ons opgekomen zijn aan een ons onbekend medelijden dat zonder voorafgaand lijden samen met onlijdelijkheid bestaat? Van de andere kant, als de barmhartigheid die het lijden niet kent, niet was voorafgegaan, dan had Hij ook niet kunnen komen tot de barmhartigheid waarvan het lijden de moeder is. Als Hij daartoe niet had kunnen komen, dan had Hij ons niet aangetrokken. Had Hij ons niet aangetrokken, dan had Hij ons ook niet onttrokken, onttrokken immers aan niets minder dan aan een poel van ellende, aan modder en slijk (Ps. 40, 3). Hij ontdeed zich evenwel niet van die eerste barmhartigheid, maar voegde de laatste er aan toe; Hij veranderde niet, maar vermeerderde zoals er geschreven staat: “Mensen en dieren zult Gij redden, Heer; hoe menigvuldig is Uw erbarmen, God!” (Ps. 36, 7).

 

VIERDE HOOFDSTUK

Eerste trap van de waarheid: Zelfkennis

 

  1. Maar keren wij terug naar ons onderwerp. Als Hij zich dus erbarmelijk maakte die het vroeger niet was, om te ervaren wat Hij vroeger reeds wist, hoeveel te meer dan moet gij u, ik zeg niet, maken wat gij niet zijt, maar letten op wat ge wel zijt. Want werkelijk, ge zijt erbarmelijk. En zo moet ge leren wat erbarmen is, daar gij dit op een andere manier niet leren kunt. Anders zou het kunnen gebeuren als ge een fout bemerkt bij uw naaste en op de uwe niet let, dat ge dan geen medelijden voelt opkomen maar verontwaardiging, dat ge dan niet gereed staat om te helpen maar om te oordelen, niet om op te bouwen in een geest van zachtmoedigheid, maar om af te breken in een geest van hartstocht. “Gij die geestelijk zijt,” zegt de Apostel, “helpt zo iemand terecht in de geest van zachtmoedigheid” (Gal. 6, 1). Het is een raad van de Apostel, of zelfs een bevel, dat ge uw broeder die zwak is minzaam te hulp komt in dezelfde geest waarin gij geholpen zoudt willen worden als ge zelf zwak waart. En opdat ge zoudt weten hoe ge zachtmoedig kunt worden jegens de zondaar, voegt hij er aan toe: “Slaat een blik op uzelf, want ook gij kunt bekoord worden” (Gal. 6, 1).

 

  1. Laten we eens nagaan hoe goed de leerling van de Waarheid zich aan de volgorde van de Meester houdt. In de zaligheden, waarnaar ik boven reeds heb verwezen, worden niet alleen de barmhartigen voor de zuiveren van harte vermeld, maar ook de zachtmoedigen voor de barmhartigen (Matt. 5, 4-8). En toen de Apostel geestelijke mensen aanspoorde om vleselijke terecht te helpen, voegde hij eraan toe: “in de geest van zachtmoedigheid.” Het terechtwijzen der broeders immers komt toe aan de barmhartigen, de geest van lankmoedigheid aan de zachtmoedigen. Alsof hij zei: Men moet niemand onder de barmhartigen rekenen die zelf niet zachtmoedig is. Hier toont de Apostel dus duidelijk aan wat ik boven beloofd heb te zullen aantonen, namelijk dat we eerst de waarheid moeten achterhalen in onszelf, daarna in onze naasten. Sla een blik op uzelf, zegt hij, dit is: hoe gemakkelijk wordt ge niet bekoord, hoe vlug zondigt ge niet.

Als ge dus kijkt naar uzelf, zult ge wel zachtmoedig worden en aldus kunnen optreden om anderen in de geest van zachtmoedigheid te helpen. Anders, als ge niet luisteren wilt naar het vermaan van de leerling, vrees dan het verwijt van de Meester: “Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken” (Matt. 7, 5). Die grote grove balk in uw oog is de hoovaardij in uw geest. Door zijn onechte, ongezonde, opgeblazen massa zonder stevigheid verduistert hij als het ware het oog van de geest en benevelt de waarheid. En wanneer hij zich aan uw geest heeft opgedrongen, zult ge zodoende uzelf niet meer kunnen zien zoals ge zijt, niet meer kunnen waarnemen zoals ge kunt zijn. Maar ge denkt dat ge zijt, of ge hoopt te worden, zoals ge uzelf bemint. Wat is hoogmoed immers anders – zoals een heilige het uitdrukte – dan liefde voor eigen voortreffelijkheid (St. Augustinus, de Genesi ad Litt. I.9,nn.24,25). Daarom kunnen we ook omgekeerd zeggen, dat nederigheid minachting is van eigen voortreffelijkheid.

Liefde kan echter, evenmin als haat, naar waarheid oordelen. Wilt ge het oordeel van de Waarheid horen? “Ik oordeel naar wat ik hoor” (Joh. 5, 30), niet: naar ik haat, niet: naar ik bemin, niet: naar ik vrees. Er bestaat wel een oordeel van de haat, bijvoorbeeld: “We hebben een wet en volgens onze wet moet hij sterven” (Joh. 19, 7). Ook een oordeel van vrees, bijvoorbeeld: “Als we Hem zo laten begaan, zullen de Romeinen komen en ons land en volk verdelgen” (Joh. 11, 48). Een oordeel echter van de liefde is dat van David over zijn zoon Absalom, de hoogverrader: “Spaart zei hij, mijn kind Absalom” (2 Sam. 18, 5). Ik weet ook dat in de wetgeving der mensen is bepaald en ook wordt onderhouden, zowel bij kerkelijke als bij wereldlijke rechtsgedingen, dat goede vrienden van de pleitende partijen niet in de rechtspleging mogen worden toegelaten: uit vrees dat ze misleiden of misleid worden door hun liefde voor hun vrienden. Als dan de liefde voor uw vriend in uw oordeel zijn schuld vermindert of geheel verdoezelt, hoeveel te meer zal uw eigenliefde u misleiden wanneer ge uzelf beoordeelt!

 

  1. Wie er dus zorg voor draagt volledig de waarheid in zichzelf te kennen, moet eerst de balk van de hovaardij die het licht afhoudt van zijn oog verwijderen en opgangen banen in zijn hart waarlangs hij zichzelf in zichzelf kan vinden, zo zal hij na de twaalfde trap van nederigheid de eerste trap van waarheid bereiken.

Heeft hij eenmaal de waarheid in zichzelf gevonden, of liever: zichzelf gevonden in de waarheid, en kan hij dus zeggen: “Ik heb geloofd, daarom ook heb ik gesproken; zelf echter ben ik uitermate vernederd” (Ps. 116, 10), laat hij dan nog hoger stijgen in zijn hart opdat de waarheid verheerlijkt worde en hij bij het bereiken van de tweede trap in zijn vervoering kan zeggen: “Geen mens is te vertrouwen” (Ps. 116, 11). Denkt ge niet dat David zich aan deze volgorde gehouden heeft? Denkt ge niet dat de profeet gevoeld heeft wat de Heer voelde, wat de Apostel voelde en wat ook wij na hen en door hen voelen? Ik heb geloofd, zei hij, in de Waarheid, die zegt: “Wie Mij volgt wandelt niet in de duisternis” (Joh. 8, 12). Ik heb dus geloofd door te volgen, daarom ook heb ik gesproken door te belijden. Wat beleed ik? De Waarheid die ik heb leren kennen door te geloven. Nu ik echter heb geloofd ter rechtvaardiging en heb gesproken ter redding, ben ik uitermate vernederd, dat is: volkomen vernederd. Alsof hij wilde zeggen: Omdat ik me niet geschaamd heb de waarheid die ik in mezelf heb leren kennen tegen mijzelf te belijden, ben ik tot de volmaaktheid van de nederigheid gekomen. Uitermate kan men immers als volmaakt verstaan, zoals in het psalmvers: “Zijn geboden heeft hij uitermate lief” (Ps. 112, 1). Als iemand wil beweren dat uitermate hier voor ten zeerste staat en niet voor volmaakt, daar ook de exegeten dit schijnen te beweren, dan wijkt ook dit nog niet af van de bedoeling van de Profeet, als we aannemen dat hij het zo gezegd heeft: Ik voor mij, toen ik de waarheid nog niet had leren kennen, dacht dat ik iets was, terwijl ik niets was. Maar nu ik, door in Christus te geloven, dat wil zeggen, door zijn nederigheid na te volgen, de waarheid heb leren kennen, is zij in mij verheerlijkt door mijn belijdenis, maar ik ben uitermate vernederd, dit is, ik ben zeer minderwaardig geworden in mijn eigen ogen nu ik een blik geslagen heb op mijzelf.

 

VIJFDE HOOFDSTUK

Tweede trap van de waarheid: Barmhartigheid

 

  1. In deze eerste graad van de waarheid vernederd – zoals hij in een andere psalm zegt: “In uw waarheid hebt Gij mij vernederd” (Ps. 119, 75) – heeft dus de Profeet op zichzelf gelet en uit zijn eigen ellende die van alle mensen begrepen. Zo is hij overgegaan tot de tweede graad en zegt nu in vervoering: “Geen mens is te vertrouwen.” Wat is dat voor een vervoering? Ongetwijfeld die waarin hij zichzelf veroordeelt door buiten zichzelf te treden en zich vast te klampen aan de waarheid. In deze vervoering is hij niet verontwaardigd en gaat hij niet te keer, maar zegt hij vol meegevoel en deernis: “Geen mens is te vertrouwen.” Wat betekent dat: Geen mens is te vertrouwen? Ieder mens is zwak, ieder mens is erbarmelijk en onmachtig. Noch zichzelf noch een ander kan hij redden.

Zo staat er ook: “Bedrieglijk is het ros ter overwinning” (Ps. 33, 17). Niet dat het ros iemand bedriegt, maar wie op de kracht ervan vertrouwt bedriegt zichzelf. Zo ook is geen mens te vertrouwen, dat wil zeggen, ieder mens is onbestendig, veranderlijk: noch zijn eigen redding noch die van anderen mag men van hem verhopen. Ja, eerder nog loopt men een vervloeking op als men zijn hoop stelt op een mens (Jer. 17,5). De Profeet dus die nederig voortgaat onder geleide van de waarheid en in anderen ziet wat hij in zichzelf betreurt, mag met het aangroeien van zijn kennis ook wel zijn smart laten aangroeien en in het algemeen, maar naar waarheid, zeggen: Geen mens is te vertrouwen.

 

  1. Maar zie nu eens wat een totaal andere gedachte die trotse farizeeër van zichzelf had. Wat bracht hij uit in zijn vervoering? “God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen” (Luk. 18, 11). Terwijl hij buitensporig ingenomen is met zichzelf, geeft hij vanuit de hoogte af op de anderen. Dan was David heel anders. Hij zei immers: Geen mens is te vertrouwen. Niemand zondert hij uit om niemand te misleiden. Want hij weet dat allen hebben gezondigd en dat allen beroofd zijn van de heerlijkheid Gods (Rom. 3,23).

De farizeeër misleidt alleen zichzelf, daar hij zichzelf alleen uitzondert terwijl hij de anderen veroordeelt. De Profeet zondert zichzelf niet uit van de algemene ellende, om niet te worden uitgezonderd. De farizeeër verijdelt de barmhartigheid doordat hij zijn erbarmelijkheid ontveinst. De profeet beweert van allen even goed als van zichzelf: Geen mens is te vertrouwen. De farizeeër bevestigt het van allen behalve van zichzelf, want hij zegt: “Ik ben niet zoals de andere mensen.” En hij dankt, niet omdat hij goed is, maar omdat hij alleen is; niet zozeer voor het goede dat hij heeft, als wel voor het verkeerde dat hij in anderen ziet. Nog heeft hij de balk niet getrokken uit zijn eigen oog, of reeds staat hij de splinters in de ogen van zijn broeders te tellen. Want hij gaat voort: “onrechtvaardigen, rovers.” Niet voor niets, dunkt me, ben ik van het onderwerp afgeweken, als ge het verschil hebt ingezien tussen de vervoering van de een en die van de ander.

 

  1. Nu moeten we toch terugkeren tot ons onderwerp. Wie dus door de waarheid zichzelf hebben leren kennen en daardoor minderwaardig zijn geworden in eigen ogen, moeten nu wel alles bitter gaan vinden waarvan ze vroeger hielden. Daar ze voor zichzelf zijn gaan staan, dwingen ze zich zichzelf zo te zien dat het kijken naar zichzelf hen doet blozen van schaamte. Ze nemen geen vrede met wat ze zijn en verzuchten naar wat ze niet zijn, zonder het vertrouwen natuurlijk dat ze dat ooit uit eigen kracht zullen worden. Ze treuren over zichzelf, en de enige troost die ze vinden is dat ze als strenge rechters over zichzelf – uit liefde voor de waarheid immers hongeren en dorsten ze naar de gerechtigheid – tot zelfverachting toe de allerstrengste genoegdoening van zichzelf opeisen en verbetering bovendien. Maar daar ze zien dat ze daartoe niet in staat zijn – als ze alles gedaan hebben wat hun opgedragen is, noemen ze zich nog onnutte dienstknechten (Luk. 17, 10) – nemen ze hun toevlucht van de rechtvaardigheid naar de barmhartigheid. Om die echter te verkrijgen, volgen ze de raad van de Waarheid op: “Zalig de barmhartigen, want ze zullen barmhartigheid ondervinden” (Matt. 5, 7).

En dit is de tweede trap van de waarheid, waarop ze haar zoeken in de naasten. Want vanuit hun eigen noden benaderen ze de noden van anderen en uit wat ze te lijden hebben, leren ze medelijden te hebben met het leed van anderen.

 

ZESDE HOOFDSTUK

Hoe de eerste en de tweede trap van de waarheid ons voorbereiden om de derde te bestijgen

 

  1. Door deze drie dingen die ik genoemd heb, namelijk de tranen van berouw, het verlangen naar gerechtigheid en de werken van barmhartigheid, reinigen ze, als ze daarin volharden, de blik van het hart van drie beletselen die ze door onwetendheid, zwakheid of na-ijver hadden opgelopen. Zo kunnen ze door de contemplatie overgaan tot de derde trap van de waarheid. Dit zijn de wegen die de mensen goed toeschijnen, tenminste aan hen die blij zijn als ze verkeerd gedaan hebben en plezier vinden in hun slechte daden (cf. Spr. 2, 14), en zich verschuilen achter hun zwakheid of onwetendheid om verontschuldigingen te hebben voor hun zonden (Ps. 141, 4). Maar wie graag onwetend of zwak zijn om vrijer te kunnen zondigen, vleien zich tevergeefs met hun zwakheid of onwetendheid. Denkt gij dat het de eerste mens gebaat heeft dat hij, ook al had hij niet van harte gezondigd, zich verdedigde door te wijzen op zijn vrouw als op de zwakheid van het vlees (Gen. 3, 12)? Of zijn zij die de eerste martelaar stenigden soms te verontschuldigen wegens hun onwetendheid, omdat ze hun oren dicht stopten (Hand. 7, 57)?

Wie zich dus van de waarheid verwijderd voelen of zich gedrukt voelen onder zwakheid en onwetendheid door hun drang en hun lust om te zondigen, laten ze die drang in zuchten en die lust in klagen veranderen, laten ze de zwakheid van hun vlees overwinnen door vurige ijver voor de rechtvaardigheid en hun onwetendheid verdrijven door vrijgevigheid. Want als zij de Waarheid niet willen kennen nu Hij behoeftig is, naakt en ziek, dan zullen ze, als Hij komt met grote macht en majesteit als de schrikwekkend wreker, Hem te laat met schande leren kennen en tevergeefs met siddering antwoorden “Wanneer zagen we U behoeftig, en hebben U niet geholpen” (Matt. 25, 44)? Dan zullen zij de Heer kennen als Hij die vonnist (Ps. 9, 17), zij die Hem miskennen nu Hij om barmhartigheid vraagt. Ze zullen opzien tot Hem die ze doorstoken hebben (Joh. 19, 37 ); en zo ook de vrekken tot Hem die ze hebben veracht.

Van iedere smet dus die ze belopen hebben door zwakheid, onwetendheid of boos opzet, wordt het oog van het hart gereinigd door te wenen, door te hongeren naar de gerechtigheid en door de toeleg op de werken van barmhartigheid. Aan zulk een hart belooft de Waarheid zich in zijn zuiverheid te tonen: “Zalig de zuiveren van hart, want ze zullen God zien” (Matt. 5, 8).

Drie trappen of graden van de waarheid zijn er dus: de eerste bestijgen we door de moeizame nederigheid, de tweede door hartelijk medelijden, de derde door de vervoering der beschouwing. Op de eerste trap toont de waarheid zich in haar gestrengheid, op de tweede in haar liefde, op de derde in haar zuiverheid. Tot de eerste trap komen we door redenerend onszelf te toetsen, tot de tweede door uit heel ons hart met anderen mee te voelen, tot de derde voert ons de zuiverheid die ons opheft tot het onzichtbare.

 

ZEVENDE HOOFDSTUK

Hoe de Heilige Drie-eenheid deze opgang in ons uitwerkt

 

  1. Hier vertoont zich aan mij een verheven en tegelijk uiteenlopende werking van de ongedeelde Drievuldigheid, als tenminste de in het duister gezeten mens enigszins deze onuitsprekelijke werkingen van de met elkaar samenwerkende Personen kan doorgronden.

Op de eerste trap dan zie ik de Zoon, op de tweede de Heilige Geest, op de derde de Vader. Wilt ge vernemen wat de werking is van de Zoon? “Wanneer Ik, de Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, dan moet gij toch zeker elkander de voeten wassen” (Joh. 13, 14). De Meester der waarheid gaf aan zijn leerlingen een voorbeeld van nederigheid, opdat hun op de eerste trap allereerst de waarheid bekend zou worden.

Let ook op het werk van de Heilige Geest: “De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest die ons is geschonken” (Rom. 5, 5). De liefde toch is een gave van de Heilige Geest. Door haar is het dat zij die door de nederigheid onder de tucht van de Zoon tot de eerste trap van de waarheid gekomen zijn, nu onder de leiding van de Heilige Geest de tweede trap bereiken door het meelijden met hun naaste.

Wat nu de Vader aangaat: “Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jonas; want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is” (Matt. 16, 17). En dit: “De Vader zal aan zijn kinderen zijn waarheid bekend maken” (Jes. 38, 19). En: “Ik dank U, Vader, dat Gij deze dingen voor de wijzen hebt verborgen en geopenbaard hebt aan de kleinen” (Matt. 11, 25).

Wie de Zoon door Zijn woord en voorbeeld heeft vernederd, over wie daarna de Geest de liefde heeft uitgestort, ziet gij dat dezen ten slotte door de Vader worden opgenomen in de heerlijkheid? De Zoon vormt tot leerlingen, de Trooster troost als vrienden, de Vader verheft tot kinderen. Daar nu niet alleen de Zoon maar ook de Vader en de Heilige Geest terecht Waarheid worden genoemd, staat het vast dat een en dezelfde Waarheid, maar nu gelet op de eigen kenmerken der Personen, deze drie dingen op de drie trappen bewerkt. Eerst dus onderricht Zij als meester, daarna troost Zij als vriend en broeder, tenslotte trekt Zij naar zich toe, zoals een vader het zijn kinderen doet.

 

  1. De Zoon van God toch, het Woord namelijk en de wijsheid van de Vader, vindt eerst in onze ziel het vermogen dat rede genoemd wordt, neergebogen onder de last van het vlees, gevangen gehouden door de zonde, verblind door onwetendheid, overgeleverd aan allerlei uiterlijkheden. Maar genadig neemt Hij het aan, richt het krachtig op, wijst het voorzichtig terecht, keert het naar binnen, en gebruikt het merkwaardig genoeg als een plaatsvervanger van Zichzelf. Want Hij stelt het aan tot rechter over zichzelf, zodat het uit schroom voor het Woord waarmee het verbonden wordt, als aanklager, getuige en rechter tegen zichzelf het ambt van de Waarheid vervult. Uit deze eerste verbintenis van het Woord met de rede wordt de nederigheid geboren.

Dan komt het andere vermogen aan de beurt, dat wil genoemd wordt. Eens door het gif van het vlees geïnfecteerd maar reeds door de rede geordend, wordt het door de Heilige Geest welwillend bezocht, zacht gereinigd, in gloed gezet en barmhartig gemaakt. En zoals de huid zich uitzet wanneer zij gezalfd wordt, zo wordt ook de wil, geheel doordrenkt van hemelse zalving, wijd genoeg om zelfs zijn vijanden te beminnen. En zo wordt door deze tweede verbintenis van Gods Geest met de wil van de mens de liefde teweeggebracht.

Is dan van de beide delen van de ziel het ene door het Woord der waarheid onderwezen, het andere door de Geest der waarheid bezield, het eerste met het hysop der nederigheid besprenkeld, het laatste door het vuur van de liefde ontvlamd, is tenslotte geheel de ziel volmaakt wegens haar nederigheid zonder smet en haar liefde zonder rimpel, daar noch de wil zich verzet tegen de rede, noch de rede zich de waarheid ontveinst, dan bindt de Vader haar aan Zich als zijn doorluchtige bruid. Dan heeft de rede geen gelegenheid meer om aan zichzelf, en de wil niet meer om aan de naaste te denken, maar dan is het de vreugde van die gelukkige ziel, dit alleen nog maar te zeggen: “De Koning heeft mij binnengeleid in zijn slaapvertrek” (Hgl. 1, 3).

Nu is zij waardig om uit de school der nederigheid waar de ziel eerst onder het meesterschap van de Zoon geleerd heeft in te keren tot zichzelf, volgens de bedreiging: “Als ge uzelf niet kent, ga dan naar buiten en hoed uw geitjes” (Hgl. 1, 3 en 7), nu is zij werkelijk waardig om uit de school van de nederigheid onder leiding van de H. Geest door het medelijden de wijnkelders van de liefde binnengevoerd te mogen worden; en daaronder moeten wij wel de harten van onze medemensen verstaan. En vandaar om, met bloemen omkranst en met appels gesterkt, dit wil zeggen, getooid met goede zeden en heilige deugden te worden toegelaten in het slaapvertrek van de Koning naar wiens liefde zij smacht. En terwijl alles stil valt in de hemel  gedurende de korte tijd van ongeveer een half uur (Openb. 8, 1), sluimert zij zacht in de langbegeerde omhelzing. Zelf slaapt ze wel, maar haar hart is wakker, want het doorvorst onderwijl de diepste geheimen der waarheid. En als zij straks tot zichzelf is teruggekeerd, zal de herinnering daarin haar voedsel vinden. Daar ziet zij het onzichtbare en hoort er het onuitsprekelijke dat een mens niet vermag te verwoorden. Want het gaat alle kennis te boven die de nacht meedeelt aan de nacht, en de dag toeroept aan de andere dag (Ps. 19, 3), zoals men te midden van wijzen wijsheid kan spreken en met geestelijke mensen geestelijke zaken kan behandelen.

 

ACHTSTE HOOFDSTUK

De opgang van Paulus

 

  1. Denkt gij, dat Paulus deze trappen niet doorlopen heeft, hij die van zichzelf getuigt dat hij tot in de derde hemel weggevoerd is? (2 Kor. 12, 2)? Waarom zegt hij bij voorkeur: weggevoerd, en niet geleid? Opdat namelijk, als zo een groot apostel zegt dat hij is weggevoerd naar een plaats waar hij ondanks alle geleerdheid en ondanks de beste gids nog niet kon komen, ik, die toch zeker minder ben dan Paulus, niet zo verwaand zou zijn te menen dat ik met eigen kracht en eigen inspanning tot de derde hemel zou kunnen geraken, en om me niet op eigen kracht te laten vertrouwen of de moed te laten verliezen omdat het zo moeilijk is. Want het is duidelijk dat wie onderwezen wordt of aan wie men de weg wijst daardoor alleen al, dat hij een leermeester of een gids volgt, zich moeite getroost en iets uit zichzelf doet om op de bedoelde plaats te komen of de bedoelde betekenis te snappen, zodat hij zeggen kan: “Niet ik echter, maar de genade Gods met mij” (1 Kor. 15, 10). Wie echter weggevoerd wordt steunt niet op eigen krachten, maar op die van anderen, zoals iemand die gedragen wordt en niet weet waarheen. En daarom roemt hij niet op zichzelf, noch voor het geheel noch voor een deel, daar hij immers niets uit zichzelf en niets met een ander samen doet.

Tot de eerste of tot de middelste hemel kon de Apostel met geleide en hulp wel opstijgen; maar om de derde hemel te bereiken, moest hij worden weggevoerd. Want van de Zoon lezen we, dat Hij juist daartoe is afgedaald om te roepen en aan te moedigen tot het bestijgen van de eerste hemel. En van de Heilige Geest dat Hij gezonden is om hen tot in de tweede hemel te brengen. Van de Vader echter, hoewel Hij altijd medewerkt met de Zoon en met de heilige Geest, lezen we nooit dat Hij uit de hemel is neergedaald of naar de aarde gezonden is. Ik lees wel, dat de aarde vol is van ’s Heren erbarming (Ps. 33, 5); en: “Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid” (Prefatie van de Mis). En nog meer van dien aard. Ik lees ook van de Zoon: “Toen de volheid der tijden gekomen was heeft God zijn Zoon gezonden” (Gal. 4, 4). En de Zoon zegt van zichzelf: “De Geest des Heren heeft Mij gezonden” (Jes. 61, 1). En door de mond van dezelfde profeet: “Nu heeft Mij de Heer gezonden met zijn Geest” (Jes. 48, 16). Ik lees ook van de Heilige Geest: “De Trooster echter de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal zenden” (Joh. 16, 26); en: “Wanneer Ik opgenomen ben, zal Ik Hem u zenden” (Joh. 16, 7), zonder twijfel de Heilige Geest.

De persoon van de Vader echter, hoewel Hij nergens afwezig is, vind ik toch slechts in de hemel, zoals in het Evangelie: “En mijn Vader die in de hemel is” (Matt. 6, 9), en in het gebed: “Onze Vader die in de hemel zijt.”

 

  1. Ik besluit dus, dat omdat de Vader niet is neergedaald, de apostel om Hem te zien wel niet is kunnen opstijgen naar de derde hemel, maar toch vermeldt dat hij daarheen is weggevoerd. Trouwens, “niemand is naar de hemel opgestegen dan Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon” (Joh. 3, 13). En denkt nu niet dat dit van de eerste of van de tweede hemel gezegd is, want David houdt u voor: “Vanuit de hoogste hemel was zijn neerdalen” (Ps. 19, 7). Daarnaar terug is Hij niet plotseling weggevoerd of heimelijk weggenomen maar – zo staat er – “voor hun ogen, die van de apostelen namelijk, werd Hij opgenomen” (Hand. 1, 9). Niet zoals Elia die een getuige had, niet zoals Paulus die er geen had -·nauwelijks immers kreeg hij de kans zijn eigen getuige of waarnemer te zijn, zoals hij zelf zegt: “Ik weet het niet, God weet het” – ; maar als de Almachtige die is neergedaald wanneer Hij wilde, die is opgestegen wanneer Hij wilde, en naar zijn goeddunken waarnemers en toeschouwers, plaats en tijd, dag en uur bepaalde; voor hun ogen, van hen namelijk die Hij met zo een groot schouwspel begunstigde, werd Hij opgenomen. Paulus werd weggevoerd, Elia werd weggevoerd , Henoch werd weggenomen; van onze Verlosser echter lezen we dat Hij werd opgeheven, dit is, dat Hij omhoog ging uit eigen kracht, zonder andermans hulp. Want zonder hulp van een wagen, zonder de bijstand van een engel, maar steunende op eigen kracht, werd Hij door een wolk aan hun ogen onttrokken. Waarom die wolk? Was Hij moe en had Hij hulp nodig? Was Hij lui en had Hij een duwtje nodig? Begon Hij te vallen en moest Hij opgevangen worden? Onzin! Neen, de wolk onttrok Hem aan de lichamelijke ogen van de leerlingen, die al hadden ze Christus naar het vlees gekend, zij Hem nu niet meer aldus zouden kennen.

Wie de Zoon dus door de nederigheid naar de eerste hemel roept, hen brengt de Geest in liefde bijeen en de Vader verheft hen door de beschouwing tot de derde. Eerst worden ze vernederd in waarheid en zeggen: “In uw waarheid hebt Ge mij vernederd” (Ps. 119, 75). Daarna verheugen ze zich over de waarheid en zingen: “Zie, hoe goed en lieflijk het is als broeders samen te wonen” (Ps. 133, 1). Over de liefde immers staat geschreven: “Ze is verheugd over de waarheid” (1 Kor. 13, 6). Tenslotte worden ze weggevoerd naar de geheimen der waarheid en zeggen: “Mijn geheim behoort mij, mijn geheim behoort mij! (Jes. 24, 16).

 

NEGENDE HOOFDSTUK

Bernardus’ verlangen naar de waarheid

 

  1. Maar wat doorloop ik stakkerd die ik ben, die twee bovenste hemelen veeleer met nutteloze breedsprakigheid dan met scherpte van geest, terwijl ik nog met veel zwoegen op handen en voeten onder de benedenste hemel rondkruip? Maar toch heb ik daarheen reeds, met de hulp van Hem die me ook roept, een trap opgericht. Daarheen immers gaat de weg, waar Hij mij Gods heil zal tonen. Reeds zie ik daar in de hoogte de Heer staan, reeds jubel ik bij de stem van de waarheid. Ik heb Hem geantwoord toen Hij me riep: “Steek uw rechter toe aan het werk uwer handen” (Job 14, 15).

Gij echter, Heer, Gij telt mijn schreden, maar ik, traag klimmer, vermoeid reiziger die ik ben, ik sla zijpaden in. Wee mij, als de duisternis me overvalt of als mijn vlucht in de winter plaats heeft of op de sabbat. Intussen aarzel ik voort te gaan naar het licht, nu het de gunstige tijd is en de dag van zegen. Wat talm ik? Bid voor mij, mijn zoon, mijn broeder, mijn makker en mijn deelgenoot in mijn vooruitgang, in de Heer, als daar nog sprake van is. Bid de Almachtige dat Hij mijn trage voet krachtig maakt, maar dan zo dat de voet van de trotse mij niet vertrede. Laat dan een trage voet niet geschikt zijn om tot de waarheid op te klimmen, het is toch altijd nog beter dan de voet die in de waarheid geen stand kan houden, zoals er staat: “Ze zijn verjaagd en konden geen stand houden” (Ps. 36, 13).

 

  1. Tot zover over de hoogmoedigen. Maar wat staat er van hun hoofd? Wat staat er van hem die genoemd wordt Koning over alle kinderen van de hoogmoed (Job 41, 26)? Zo wordt er gezegd, “hij hield geen stand in de waarheid” (Joh. 8, 25). En op een andere plaats: “Ik zag Satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Luk. 10, 18).

Waarom anders dan om zijn hoogmoed? Wee mij, als Hij ook mij hoogmoedig ziet, Hij die het verhevene van verre kent, en mij dat verschrikkelijk woord toedondert: “Ge waart een zoon van de Allerhoogste, maar als een mens zult ge sterven en vallen als een van de afgoden” (Ps. 82, 6). Wie zou geen schrik hebben voor deze donderstem?

Ach, hoeveel beter was het voor Jakob, dat zijn heupspier door de stoot van de engel werd verlamd, dan dat hij door die van de engel van de hoogmoed was gezwollen, om dan te verslappen en teniet te gaan. Mocht ook tegen mijn spier de Engel maar stoten om ze te verlammen, als deze zwakheid voor mij dan maar een begin van vooruitgang wordt, daar ik uit eigen kracht niets kan dan bezwijken. Ik lees inderdaad: “Het zwakke van God is sterker dan de mensen” (1 Kor. 1, 25). Zo ook de apostel. Hij klaagde erover dat een engel, niet van de Heer maar van satan, zijn kaakspier sloeg, maar hij kreeg ten antwoord: “Mijn genade is u genoeg, want de kracht wordt pas volmaakt in de zwakheid” (2 Kor. 12, 9). Welke kracht? Laat de apostel zelf het antwoord geven: “Het liefst zal ik mij op mijn zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij wone.” Maar misschien begrijpt ge nog niet, welke hij in het bijzonder bedoelde, omdat Christus alle deugden had [virtus kan kracht en deugd betekenen. De heilige gaat hier van de eerste op de tweede betekenis over]. Hoewel hij ze alle had, heeft Hij er ons toch – boven alle – een aanbevolen, namelijk de nederigheid, toen Hij zei: “Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart” (Matt. 11, 29).

 

  1. Het liefst zal ook ik dus, Heer Jezus, op mijn zwakheden roemen als ik kan, op het ineenvallen van mijn spieren opdat uw kracht, de nederigheid namelijk, in mij volmaakt moge worden. Want uw genade is mij genoeg, als mijn eigen kracht me begeeft. Met de voet der genade flink aanstappend, en de mijne die zwak is zachtjes meetrekkend, zal ik veilig opstijgen langs de trap der nederigheid. Totdat ik, verknocht aan de waarheid, tot de ruimte van de liefde overga. Dan zal ik psalmzingen en dankzeggen en uitroepen: “Ge hebt mijn voeten op ruime grond geplaatst” (Ps. 31, 9). Zo blijkt het voorzichtig met kleine pasjes de enge weg te betreden, zo blijkt het veiliger voetje voor voetje de steile trap op te gaan. Zo ook – wonder genoeg – gaat het wel trager, maar is het toch ook zekerder al hinkende naar de waarheid op te gaan.

Maar wee mij, dat mijn ballingschap zo lang duurt (Ps. 120, 5). Wie zal mij de vleugelen van een duif geven, dan zou ik snel naar de waarheid heen vliegen, ja, ik zou reeds rusten in de liefde (Ps. 55, 7). Maar nu ik geen vleugels heb, wil mij geleiden, Heer, langs uw weg. Dan zal ik wandelen in uw waarheid en de waarheid zal mij bevrijden. Wee mij, dat ik daarvan ben afgedaald! Want als ik niet eerst onberaden en onbesuisd was neergedaald, dan had ik me nu niet zo lang en zo zwaar moeten inspannen om weer op te stijgen. Maar wat zeg ik, afgedaald? Het zou misschien juister zijn te zeggen: gevallen. Of wellicht beter zo: Zoals niemand ineens bovenaan is, maar men geleidelijk opstijgt, zo is men ook niet ineens helemaal slecht, maar zakt men langzaam af. Hoe zou anders het Schriftwoord standhouden: “De boze verhovaardigt zich alle dagen van zijn van zijn leven” (Job 15, 20)? En er zijn tenslotte wegen die de mensen goed toeschijnen en toch naar de boosheid leiden.

 

  1. Er is dus een weg die daalt zoals er ook een is die stijgt. En er is een weg naar het goed en een weg naar het kwaad. Pas op voor de kwade, maar kies de goede weg. Als ge het alleen niet kunt,
.

bidt dan met de profeet: “Houd ver van mij de weg der boosheid.”

9

Hoe?” “En wees mij genadig overeenkomstig uw wet” (Ps. 119, 29), die wet namelijk, die Gij gaf aan hen die van de weg afwijken, dit is, die de waarheid verlaten; en van hen ben ik er ook een. Want ik ben werkelijk van de waarheid afgevallen. Maar wie valt, zal hij soms niet meer opstaan? Daarom heb ik juist de weg der waarheid gekozen, om daarlangs uit mijn vernedering op te stijgen naar de plaats vanwaar ik door me te verhoovaardigen gevallen ben. Ik zal opstijgen, zeg ik, en ik zal psalmzingen: “Het is mij goed, Heer, dat Ge me vernederd hebt. Goed is mij uw wet boven duizenden in goud en zilver” ( Ps. 119, 71-72).

Het lijkt dat David u twee wegen heeft voorgehouden, maar ge moet weten dat er slechts een is, die men echter wel van twee kanten kan bezien en die ook twee namen heeft: weg der boosheid om hen die afdalen, en weg der waarheid om hen die opstijgen. Want de treden waarlangs men opstijgt naar een zetel zijn dezelfde als die waarlangs men afdaalt. En zij die naar de stad gaan volgen dezelfde weg als zij die er van terugkomen. En er is maar een deur in een huis, voor hen die binnenkomen en voor hen die naar buiten gaan. Er was tenslotte maar een trap waarop de dalende en stijgende engelen aan Jakob verschenen. Waarop wijst dat? Hierop dat ge, als ge naar de waarheid wenst terug te keren, geen nieuwe weg hoeft te zoeken die gij niet kent, doch slechts de bekende weg waarlangs ge zijt afgedaald. Ga slechts terug op uw schreden en ge zult, vernederd nu, langs dezelfde treden opstijgen waarlangs ge eerst door uw hoogmoed waart afgedaald.

Wat derhalve de twaalfde trap van hoogmoed was voor hem die afdaalde, weze de eerste van nederigheid voor hem die omhoog gaat, de elfde weze de tweede, de tiende de derde, de negende de vierde, de achtste de vijfde, de vierde de negende, de derde de tiende, de tweede de elfde en de eerste de twaalfde. Als ge dus deze trappen van de hoogmoed in u zelf gevonden, of beter, herkend hebt, dan hoeft ge u niet meer in te spannen om de weg der nederigheid te zoeken.

 

TIENDE HOOFDSTUK

De eerste trap van de hoogmoed: de nieuwsgierigheid

 

  1. De eerste trap van de hoogmoed is de nieuwsgierigheid. Aan deze tekens kunt ge hem kennen. Als ge een monnik ziet van wie ge vroeger een hoge dunk hadt en die nu overal waar hij staat, loopt of zit nu met zijn oren begint rond te kijken, het hoofd rechtop houdt en zijn oren spitst, weet dan uit zijn uitwendige bewegingen dat de man innerlijk veranderd is. Want “een deugniet lonkt met zijn ogen, schuifelt met zijn voeten en geeft tekens met zijn vingers” (Spr. 6, 13). En uit deze onwelvoeglijke lichaamsbewegingen blijkt de beginnende ziekte van de ziel. Wijl zij begint te verflauwen in haar zelfbeheersing, gaat zij door zich niet meer met zichzelf te bemoeien, zich bemoeien met anderen. Want daar ze zichzelf niet kent, wordt ze naar buiten gestuurd om de geitjes te hoeden (Hgl. 1,7). De geitjes immers zijn het beeld van de zonden, en hier zou ik ze niet zonder reden ogen en oren willen noemen; want zoals de dood door de zonde de wereld binnenkomt, zo ook treedt hij door deze vensters in de ziel.

Deze te weiden is de bezigheid van de nieuwsgierige, en intussen bekommert hij er zich niet om, hoe het met zijn binnenste gesteld is waarin hij zichzelf heeft achtergelaten. En werkelijk, o mens, als ge waakzaam op u zelf let, dan zou het een wonder zijn als ge uw aandacht ooit nog op iets anders richt. Luister, nieuwsgierige, naar Salomon; luister, dwaas, naar de wijze man. “Waak over uw hart, zegt hij, met de uiterste zorg” (Spr. 4, 23), zodat namelijk alle zintuigen nauwlettend die plaats bewaken waar het leven ontspringt. Waarheen wilt ge uzelf ontlopen, nieuwsgierige? Aan wie vertrouwt ge u ondertussen toe? Hoe durft ge uw ogen op te slaan naar de hemel, gij die gezondigd hebt tegen de hemel? Kijk naar de aarde, om u zelf te leren kennen! Zij laat u aan uzelf voorhouden, want aarde zijt gij en tot aarde zult ge wederkeren.

 

  1. Toch zijn er twee gevallen waarin ge zonder blaam uw ogen moogt opheffen, ofwel om hulp te vragen ofwel om hulp te verlenen. David hief zijn ogen op naar de bergen om te vragen. En de Heer sloeg ze op over de menigte om hulp te verlenen. De ene vol erbarmelijkheid, de ander vol erbarmen, beiden zonder blaam. En ook gij, als ge tijd, plaats en omstandigheden in acht neemt, en uw ogen opslaat wegens uw eigen noodwendigheden of die van uw broeder, dan keur ik dat niet alleen niet af, maar prijs het ten zeerste. Want in het eerste geval dient uw ellende u tot verontschuldiging, in het tweede uw barmhartigheid tot aanbeveling. Maar in andere gevallen zou ik u niet van de profeet, noch van de Heer, maar van Dina of Eva of liever nog van Satan zelf een navolger willen noemen. Want terwijl Dina gaat om haar geitjes te hoeden, wordt zij aan haar vader, en aan haar maagdelijkheid ontroofd! (Gen. 34, 1-5)

O Dina, waarom moest ge ook gaan kijken naar die uitheemse vrouwen? Waarom was dat nodig? Wat had het voor nut? Was het enkel maar nieuwsgierigheid? Gij staat wel zonder bedoeling te kijken, maar niet zonder bedoeling wordt ge bekeken. Gij staat nieuwsgierig toe te zien, maar met nog meer nieuwsgierigheid wordt ge bezien. Wie had toen kunnen denken, dat die onbekommerde nieuwsgierigheid of die nieuwsgierige onbekommerdheid achteraf niet zo kommerloos zou aflopen, doch zeer verderfelijk voor u, voor uw familie en voor uw vijanden?

 

  1. Ook gij, Eva, die in het paradijs geplaatst zijt om het met uw man te bewerken en te bewaken! Als ge uw opdracht vervuld hebt, zult ge eens overgaan naar een betere toestand, waar het niet meer nodig zal zijn dat ge u nog met enig werk onledig houdt of u zorgen maakt over de bewaking. Van alle bomen van het paradijs is het u toegestaan te eten, behalve van die welke genoemd wordt de boom der kennis van goed en kwaad (Gen. 2, 15-17). Als de andere bomen dan goed zijn en goed smaken, waarom moet ge dan nog eten van een boom die ook nog slecht smaakt. “Niet meer smaken dan nodig is” (Rom. 12,3)! Want het slechte smaken is geen smaken maar alle smaak verliezen.

Bewaar dus wat u is toevertrouwd, ziet uit naar wat u is beloofd; wacht u voor wat u verboden is, om niet te verliezen wat is toegestaan. Waarom kijkt ge zo gespannen naar wat uw eigen dood zal zijn? Waarom richt ge zo vaak uw dwalende blikken daarheen? Waarom wilt ge graag zien wat ge toch niet moogt eten? Ik laat alleen mijn ogen maar gaan, zegt ge, niet mijn handen. Het kijken is niet verboden, alleen het eten. Mag ik dan mijn ogen niet opslaan waarheen ik wil? Heeft God mij niet de vrije beschikking daarover gelaten?

Daarover zegt de Apostel: “Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is heilzaam” (1 Kor. 6, 12). Al is het dan geen zonde, het wijst toch op zonde. Want als uw geest zich wat nauwkeuriger bewaakte, dan hadt ge geen tijd voor nieuwsgierigheid. Al is het dan geen zonde, het draait toch om de zonde, het is een teken dat ge al gezondigd hebt of een aanleiding om zonde te doen. Want terwijl ge op iets anders let, glipt intussen heimelijk de slang in uw hart en spreekt u vleiend toe. Met wat lieve woordjes bedwingt hij de rede en met leugentaal de vrees. Want, zegt zij, “ge zult volstrekt niet sterven” (Gen. 3, 4). Hij versterkt de aandacht door voedsel te geven aan de begeerte. Eindelijk, hij biedt haar aan wat verboden is en ontneemt wat is toegelaten: hij reikt haar de appel toe en ontfutselt het paradijs. Gij drinkt het vergif, doch slechts om te sterven en stervelingen voort te brengen. De zaligheid is verloren, maar het baren gaat door. We worden geboren en we sterven. En derhalve worden we geboren om te sterven, omdat we eerst sterven voordat we geboren worden. Daarom rust er een zwaar juk op al uw kinderen tot op de dag van vandaag.

 

  1. Maar daarenboven zijt gij, zegel van gelijkvormigheid, niet in het paradijs, maar in de heerlijkheid van Gods paradijs geplaatst (Ezech. 28, 12-13). Wat kunt ge nog meer verlangen? Gij zijt van wijsheid vervuld en van volmaakte schoonheid, maar zoek dan toch niet wat boven is en tracht niet te doorgronden wat uw krachten te boven gaat. Blijft bij uzelf om niet te doorgronden wat uw krachten te boven gaat. Blijft bij uzelf om niet te belanden beneden uzelf, wanneer ge wandelt in wat te hoog en te wonderlijk voor u is. Maar wat kijkt ge daar zo tersluiks naar het noorden? Daar zie ik u, daar ontdek ik u warempel bezig nieuwsgierig te doorvorsen ik weet niet wat voor dingen, die te hoog voor u zijn. “Ik ga mijn zetel in het noorden zetten,” zegt ge (Jes. 14,13). Terwijl de andere hemelingen staan, wilt gij alleen gaan zitten en ge verstoort de broederlijke eensgezindheid en de vrede van heel het hemelse vaderland, en zelfs voor zover ge kunt, de rust der Drievuldigheid. Waartoe brengt u toch uw nieuwsgierigheid, ongelukkige, dat ge in weergaloze aanmatiging niet aarzelt de burgers te ergeren en de Koning onrecht te doen? “Duizendmaal duizenden dienen Hem, en tienmaal honderdduizenden zijn Hem dienstbaar” (Dan. 7,10); en van niemand wordt er getuigd, dat hij gezeten is, behalve van Hem die zetelt op de cherubs en aan wie de overigen dienstbaar zijn. En gij, die ik weet al niet wat scherper dan de anderen meent te doorzien, nieuwsgierig navorst en oneerbiedig aanvat, gij plaatst uw zetel in de hemel om aan de Allerhoogste gelijk te zijn? Met welk doel? Waarop steunend? Meet uw krachten, dwaas, overweeg het doel en bedenk u te matigen!

Matigt ge u dit aan met of zonder medeweten van de Allerhoogste? Met of zonder zijn instemming? Maar hoe is het mogelijk, dat Hij met het kwaad dat gij beraamt zou instemmen of het niet zou weten! Gaat zijn wil niet uit naar het allerbeste en is zijn kennis niet volkomen? Maar misschien twijfelt ge er niet aan, dat Hij het weet en het niet wil, maar meent ge dat Hij er niet aan kan weerstaan? Maar alleen als ge eraan twijfelt of ge geschapen zijt, kan ik geloven dat ge twijfelt aan de almacht, aan de alwetendheid, aan de goedheid van uw Schepper wiens macht u uit het niet getrokken heeft, wiens kennis u zo schoon en wiens wil u zo groot heeft geschapen. Hoe meent ge dan dat God zal toestemmen in iets waarvan Hij niet wil dat het geschiedt en dat Hij kan tegengaan? Of zie ik in u vervuld, of liever, door u begonnen wat na u en door u al uw gelijken op aarde zo vaak zeggen met dat bekende spreekwoord: “Een vertrouwelijk heer kweekt vermetele slaven?” Of is uw oog boos, omdat Hij goed is? Doordat gij op zijn goedheid een boosaardig vertrouwen stelt, zijt ge onbeschaamd geworden ondanks zijn kennis en vermetel ondanks zijn macht.

 

  1. Dit is het dus, goddeloze, dit is het dus waaraan ge denkt. Dit is de boosheid die ge bepeinst op uw legerstede. En ge zegt: Zou de Schepper zijn werk vernielen? Ik weet heel goed dat aan God geen enkele gedachte van mij ontgaat, daarvoor is Hij God. Ook bevalt Hem een dergelijke gedachte van mij niet: Hij is immers goed. En bovendien, als Hij wil, zal ik niet aan zijn handen ontkomen. Hij is immers machtig. Maar moet ik me niettegenstaande dit alles bang maken? Als Hij immers, daar Hij goed is, mijn kwaad niet goed kan vinden, hoeveel te minder dan het zijne? Mijn kwaad zou ik willen noemen: iets te willen tegen zijn wil in. Het zijne echter, als Hij zichzelf zou wreken, als Hij niet wil en niet kan beroofd worden van zijn goedheid.

Ge bedriegt u, rampzalige, ge bedriegt uzelf, niet God. Uzelf bedriegt ge, zeg ik u, en de ongerechtigheid heeft tegen zichzelf gelogen, niet tegen God. Uw daden zijn vol listig bedrog, maar voor zijn ogen. Ge bedriegt uzelf dus, niet God. En omdat gij met het grote goed dat Hij in u gelegd heeft, een groot kwaad tegen Hem beraamt, wordt terecht uw euveldaad een voorwerp van haat. Is er wel een groter euveldaad dan uw Schepper te verachten precies om datgene waarom Hij meer recht had op uw liefde? Is er wel een groter euveldaad dan – ofschoon ge niet twijfelt aan Gods macht, dat Hij die u kon scheppen u ook kan vernietigen – toch te vertrouwen op zijn overgrote zachtzinnigheid en daarop te hopen dat Hij zich niet zal willen wreken, hoewel het in zijn vermogen ligt, en aldus goed met kwaad, liefde met haat te vergelden?

 

  1. Deze euveldaad, zeg ik, verdient geen voorbijgaande toorn, maar een eeuwige haat. Want tegen de wil in van uw liefderijke en allerhoogste Heer verlangt ge en hoopt ge Hem te evenaren, zodat Hij altijd moet zien wat Hem verdriet, daar Hij u als gezel heeft wat Hij niet wil, en u niet neerwerpt, ofschoon Hij het kan, ja, en nog meer, liever zelf verdriet heeft dan u verloren te laten gaan. Zeker, Hij kan u neerwerpen als Hij het wil, maar wegens zijn zachtzinnigheid, denkt ge, kan Hij het niet willen.

Maar als Hij zo is als ge denkt, dan handelt ge des te boosaardiger, als ge Hem niet bemint. En als Hij liever iets tegen Zichzelf laat geschieden dan iets te ondernemen tegen u, welk een grote boosheid is het dan dat gij van uw kant Hem niet ontziet die Zichzelf niet ontziet door u te ontzien.

Overigens zou het strijden met zijn volmaaktheid, als Hij, omdat Hij liefderijk is, niet rechtvaardig zou was; alsof Hij niet tegelijk liefderijk en rechtvaardig kon zijn! Gerechte liefde immers is beter dan lakse. Zonder rechtvaardigheid zelfs is liefde niet eens een deugd. Omdat ge dus ondankbaar zijt voor de onverdiende goedheid van Hem die u om niet gemaakt heeft, maar voor zijn rechtvaardigheid die ge nog niet hebt ondervonden geen vrees gevoelt, en ge derhalve roekeloos uw zonde bedrijft en uzelf wijsmaakt dat ge daarvoor niet gestraft zult worden, daarom, pas op, spoedig zult ge ondervinden dat Hij die ge kent als goed, ook rechtvaardig is, en ge zult vallen in de kuil die ge gegraven hebt voor uw Schepper.

Gij zint erop Hem deze straf  op te leggen die Hij kan ontgaan als Hij wil, maar gij denkt dat Hij dit niet kan willen, en dat Hij derhalve ook zeker niet die goedheid mist krachtens welke Hij nog nooit bij uw weten iemand gestraft heeft. Daarom zal de rechtvaardige God in strikte rechtvaardigheid diezelfde straf op u laten terugvallen, want Hij kan noch mag dulden dat zijn goedheid straffeloos beledigd wordt. Daarom zal Hij zijn vonnis, waardoor Hij zijn recht handhaaft, juist zo inkleden dat, als ge berouw wilt tonen, Hij zijn vergiffenis niet zal weigeren, maar als ge dit niet kunt willen wegens uw verstoktheid en uw onboetvaardig hart, ge uw straf niet zult ontlopen.

 

  1. Maar hoor me nu zijn driestheid eens aan. “De hemel, zegt hij, is mijn zetel en de aarde mijn voetbank” [Jes. 66, 1, vgl. Ef. 2, 2 en 6, 12. Volgens het volksgeloof uit die tijd was de plaats van de duivels in de lucht]. Hij zegt niet: het oosten of het westen of een andere windstreek, maar de hele hemel is mijn zetel. Gij kunt dus nergens gaan zitten in de hemel, daar God hem helemaal voor zichzelf gekozen heeft. Op aarde kunt ge niet terecht, omdat die zijn voetbank is. De aarde immers is een vaste grond, waar de Kerk zetelt gevestigd op een stevige rots. Wat gaat ge doen? Ge zijt uit de hemel gezet en op aarde kunt ge niet blijven. Kies u dus nu maar een plaats in de lucht, niet om er te zetelen, maar om rond te vliegen. Dan zult gij, die getracht de standvastigheid der eeuwigheid in de war te sturen, gestraft worden door uw eigen onbestendigheid. Terwijl gij daar tussen hemel en aarde zweeft, zit de Heer “op zijn hoge en verheven troon,” en vol is de aarde van zijn majesteit, zodat gij alleen nog maar in de lucht een plaats kunt vinden.

 

  1. Want ik denk dat de serafs, die met de vleugels der beschouwing van de troon naar de voetbank en van de voetbank naar de troon vliegen en met hun andere vleugels het hoofd en de voeten des Heren bedekken, daar geplaatst zijn om deze reden. Zoals door de cherubs de toegang tot het paradijs ontzegd werd aan de zondige mens, zo wordt door de serafs een grens gesteld aan uw nieuwsgierigheid. Zodoende kunt ge niet meer eerder schaamteloos als verstandig de geheimen des hemels doorvorsen en de mysteries der Kerk op de aarde te weten komen. Alleen met de harten der hovaardigen moet ge tevreden zijn, die zich niet verwaardigen op aarde te wandelen zoals de andere mensen en ook niet als de engelen opvliegen naar de hemel. Maar al is dan het hoofd in de hemel en zijn de voeten op aarde u verborgen, toch is u toegestaan iets in het midden te zien, maar alleen om uw afgunst te prikkelen. Want terwijl ge daar in de lucht hangt, ziet ge wel engelen langs u heen afdalen en opstijgen, maar wat ze horen in de hemel of melden op de aarde, daar weet ge totaal niets van.

 

  1. O lucifer, die in de morgen oprees, ja, reeds zijt ge geen drager van het licht meer, maar drager van de nacht en zelfs van de dood; uw rechte baan liep van het oosten naar het zuiden, en ge wilt nu in een omgekeerde richting naar het noorden toe? Hoe meer ge u naar het hoogste punt haast, des te sneller glijdt ge af naar uw ondergang.

Toch zou ik, nieuwsgierige die ge zijt, de bedoeling van uw nieuwsgierigheid wel eens wat nieuwsgieriger willen onderzoeken. “Ik ga mijn zetel in het noorden zetten,” staat er (Jes. 14, 13). Nu versta ik dit noorden niet plaatselijk en deze zetel niet stoffelijk, want ge zijt een geest. Ik denk echter dat met “het noorden” de verdoemden zijn aangeduid en met “zetel” uw heerschappij over hen. Vast en zeker hebt ge in Gods voorkennis van tevoren  al gezien, en wel des te scherper dan de anderen naarmate ge Hem zoveel nader was, hoe geen straaltje wijsheid hen deed blinken en geen liefde van de geest hen ontgloeide. En als hadt ge een niemandsland ontdekt, deedt ge een greep naar de heerschappij over hen om ze met uw bedenkelijke briljante sluwheid te overspoelen en ze door de hitte van uw boosheid te ontvlammen. En zoals de Allerhoogste door zijn wijsheid en goedheid aan het hoofd staat van alle kinderen der gehoorzaamheid, zo zoudt gij als koning zijn over alle kinderen van de hoogmoed en hen met uw sluwe snoodheid en uw snode sluwheid regeren, waardoor ge aan de Allerhoogste gelijk zoudt zijn.

Maar ik vraag me met verbazing af, als gij voor Gods aanschijn uw heerschappij hebt voorzien, waarom hebt ge dan niet tegelijk uw val voorzien? Want als ge hem had voorzien wat voor een krankzinnigheid was het dan om ten koste van al die ellende te willen heersen en liever ongelukkig te willen zijn maar de baas, dan gelukkig en onderdaan? Was het niet beter deel te hebben aan die stralende sferen dan vorst te zijn van deze duisternis? Maar het ligt meer voor de hand dat ge het niet hebt voorzien. Hetzij om die reden die ik boven reeds vermeld heb, dat ge met het oog op Gods goedheid in uw hart zei: “Hij vergeldt het toch niet” (Ps. 10, 13), en dat ge daarom, goddeloze, God getergd hebt; hetzij omdat zodra ge uw heerschappij in het oog kreeg, de balk van de hoogmoed aanstonds zo dik werd dat ge door die sta-in-de-weg uw val niet hebt kunnen voorzien.

 

  1. Zo ook wist Jozef, hoewel hij zijn verheffing van tevoren gezien had, nog niet dat hij verkocht zou worden, ofschoon zijn verkoop dichter nabij was dan zijn verheffing. Niet dat ik zou willen aannemen dat een zo groot patriarch tot hoogmoed vervallen zou zijn, maar door zijn voorbeeld wordt duidelijk dat, ook al hebben zij die de toekomst voorzien door de geest van profetie niet alles gezien, men daarom nog niet mag denken dat ze niets gezien hebben. En als iemand wil beweren dat er toch wel wat ijdelheid in school toen hij, zo jong nog, zijn dromen verhaalde wier mysterie hij nog niet kende, dan lijkt het mij eerder dat men dit als een mysterie moet beschouwen of het eer aan de eenvoud van de jongen moet toeschrijven dan aan zijn ijdelheid. Maar mocht er ijdelheid in het spel geweest zijn, dan heeft hij die kunnen uitboeten door al wat we lezen over zijn lijden.

Want aan sommigen worden soms door openbaring aangename dingen over henzelf getoond, en al kan de menselijke ziel die dingen niet weten zonder enige ijdelheid, daarom zal het niet minder uitkomen wat hun getoond werd. Maar toch zo dat die ijdelheid niet ongestraft blijft die hem, al was het maar een beetje, deed juichen over de grootheid van de openbaring of de belofte. Want zoals de geneesheer niet alleen zalf gebruikt maar ook vuur en ijzer om alle uitwassen in de te helen wonde af te snijden en uit te branden, opdat ze de genezing welke uit de zalf voortkomt niet zouden beletten, zo ook bezorgt God, de geneesheer der zielen, zulk een ziel bekoringen en zendt haar kwellingen om haar te kastijden en te vernederen, zodat haar vreugde in geween verandert en ze haar openbaring een inbeelding waant. Zo komt het dat zij vrijblijft van ijdelheid, en toch de waarachtigheid der openbaring geen schade lijdt. Zo werd ook de zelfverheffing van Paulus door de prikkels in het vlees onderdrukt en hijzelf met veelvuldige openbaringen vereerd. Zo ook werd het ongeloof van Zacharias met de binding van zijn tong gestraft, maar de waarheid van de engel die te zijner tijd moest uitkomen werd niet veranderd. Zo, ja zo gaan de heiligen vooruit door eer en oneer, wanneer ze bij de uitzonderlijke gaven die ze ontvangen zich geprikkeld voelen door de algemeen-menselijke ijdelheid om, wanneer ze door de genade iets aanschouwen dat boven hen uitgaat, niet te vergeten wat ze in werkelijkheid zijn.

 

  1. Maar wat hebben openbaringen te maken met nieuwsgierigheid? Dat ik daarover deze uitweiding heb ingelast, daarvan was de verdoemde engel de aanleiding. Ik wilde namelijk laten zien dat hij voor zijn val de heerschappij over de verdoemden, die hij later verkreeg, heeft kunnen voorzien, maar met deze beperking dat hij van tevoren toch niets afwist van zijn verwerping. In verband daarmee zijn nog enige problemen meer te berde gebracht dan opgelost, maar laat dit de samenvatting zijn van heel dit betoog: door zijn nieuwsgierigheid is hij afgeweken van de waarheid omdat hij eerst nieuwsgierig beschouwde wat hij ongeoorloofd begeerde en vermetel verhoopte. Daarom komt onder de trappen van de hoogmoed aan de nieuwsgierigheid terecht de eerste trap toe, daar ze het begin gebleken is van alle zonde. En zo ze niet snel bedwongen wordt, zal ze snel afglijden tot de onbestendigheid van gemoed, die de tweede trap is.

 

ELFDE HOOFDSTUK

Tweede trap: de onbestendigheid van gemoed

 

  1. De monnik die zichzelf verwaarloost door nieuwsgierig zijn omgeving gade te slaan, ziet tot sommigen op als tot zijn meerderen en op sommigen neer als op zijn minderen. Bij de eersten ziet hij iets dat zijn jaloezie, bij de tweede iets dat zijn lachlust opwekt. Zo komt het dat zijn gemoed door de bewegelijkheid van zijn ogen onbestendig wordt, daar de last van het letten op zichzelf hem niet meer drukt. En de ene keer verheft hij zich in zijn hoogmoed hemelhoog, de andere keer verzinkt hij van afgunst in de diepte. Nu eens gloeit hij boosaardig van nijd, dan weer is hij kinderachtig uitgelaten van eigendunkelijkheid. In het ene geval is hij slecht, in het andere ijdel, in beide hoogmoedig. Want dat hij bedroefd is als hij overtroffen wordt en blij als hij anderen overtreft, komt door de liefde voor zijn eigen uitmuntendheid.

Deze veranderingen nu in het gemoedsleven verraden zich door woorden die nu eens kortaf en bijtend, dan weer talrijk en hol zijn, nu eens door lachende dan weer door huilende maar altijd door onberedeneerde woorden. Vergelijk, zo ge wilt, deze twee eerste trappen van hoogmoed met de twee bovenste van nederigheid, en let eens op of niet in de laatste de nieuwsgierigheid, in de voorlaatste de onbestendigheid beteugeld wordt. Dat zult ge ook bij de andere bemerken als ge ze onderling vergelijkt.

Maar laten we nu al onderrichtende, en niet door af te dalen, tot de derde trap overgaan.

 

TWAALFDE HOOFDSTUK

Derde trap: de uitgelaten vrolijkheid

 

  1. Het is eigen aan trotse mensen altijd uit te zijn op plezierige dingen en droevige dingen te vermijden, naar het gezegde: “Waar plezier is, daar is het hart der dwazen” (Pred. 7,5).

Zo zal het ook gaan met de monnik die de twee vorige sporten reeds afgedaald is. Van nieuwsgierigheid is hij tot onbestendigheid gekomen, en nu ziet hij dat vrolijkheid waar hij altijd op uit is, zo vaak wordt onderbroken door de droefheid die hij ondervindt bij het succes van anderen. Ongeduldig over zijn eigen vernedering, zoekt hij zijn toevlucht in valse troost. Aan die kant dus waar hem zijn eigen minderwaardigheid en de voortreffelijkheid van een ander getoond wordt, beperkt hij zijn nieuwsgierigheid om zich helemaal uit te storten aan de andere kant; hij let namelijk met des te meer nieuwsgierigheid op datgene waarin hij zelf schijnt uit te munten, maar wil nooit weten van datgene waarin een ander uitmunt. Op die manier ontwijkt hij wat hij akelig vindt, en zijn vrolijkheid wordt niet gestoord. Zo komt het dat hij op wie beurtelings blijdschap en droefgeestigheid beslag leggen, nu geheel begint op te gaan in een uitgelaten vrolijkheid.

Dit nu noem ik de derde trede; en verneem ook aan welke tekenen ge haar bij uzelf of bij een ander kunt kennen. Hem die er zo aan toe is, zult ge nooit of zelden horen zuchten of tranen zien storten. Ge zoudt denken, als ge op hem lette, dat hij zichzelf vergeten is of schoon gewassen van zijn zonden. Zijn bewegingen verraden zijn oppervlakkigheid, zijn gelaatsuitdrukking zijn luchthartigheid, zijn manier van lopen zijn ijdelheid. Hij heeft steeds een grap bij de hand, en bij het minste of geringste schiet hij in een lach. Want al het verachtelijke en dus al het pijnlijke wat hij van zichzelf wist is uit zijn geheugen weggevaagd, al het goede dat hij maar in zichzelf voelt heeft hij samengebracht en voorgetoverd voor het oog van zijn geest. Hij denkt alleen aan wat hem aanstaat en let er niet eens op of het wel geoorloofd is. Als het zover is, kan hij zijn lachen niet meer houden en zijn uitgelaten vrolijkheid niet meer verbergen.

Het is er mee als met een tot berstens toe opgepompte blaas, waar een klein gaatje in geprikt wordt. Als je ze samendrukt fluit ze terwijl ze slinkt, omdat de uitstromende lucht niet ineens vrijkomt doch slechts bij kleine beetjes, en daardoor maakt ze telkens allerlei geluiden. Zo ook de monnik wiens hart vol is van ijdele en banale gedachten: wegens de tucht van het stilzwijgen krijgt de wind der ijdelheid geen kans om volop weg te stromen, maar ontsnapt langs de nauwe keelopening in een schaterlach. Vaak verbergt hij blozend zijn gezicht, hij knijpt zijn lippen opeen en bijt op zijn tanden. Maar hij schiet in een lach zonder het te willen en schatert ondanks zichzelf. En als hij zijn mond met zijn vuisten toestopt, hoor je hem nog proesten door zijn neus.

 

DERTIENDE HOOFDSTUK

Vierde trap: grootspraak

 

  1. Maar wanneer de ijdelheid is gaan groeien en de blaas al maar boller wordt, is er een wijdere opening nodig om de spanning te verminderen en de lucht eruit te laten, anders barst ze. Zo ook de monnik. Als de uitgelaten vrolijkheid zo overvloedig wordt dat hij haar met lachen en gebaren niet genoeg meer kwijt kan, dan breekt hij uit in de woorden van Elihoe: “Zie, mijn binnenste is als wijn die geen lucht heeft en die nieuwe zakken doet barsten” (Job 32, 19). Spreken moet hij dus of barsten. Want vol is hij van woorden, en de geest in zijn binnenste maakt het hem benauwd. Hij hongert en dorst naar luisteraars aan wie hij zijn ijdel gezwets kan opdissen, voor wie hij al zijn gevoelens kan uitstorten en aan wie hij kan laten zien hoe bijzonder hij wel is en hoe geweldig.

Heeft hij eenmaal een gelegenheid gevonden om te spreken en gaat het gesprek over de letteren, dan wordt oud en nieuw te voorschijn gehaald, de meningen vliegen over en weer, en er klinkt allerlei bombast. Hij voorkomt wie iets wil vragen, en zonder gevraagd te zijn geeft hij al antwoord. Hij stelt zelf de vragen, hij lost ze zelf op en laat zijn partner maar half uitspreken door hem in de rede te vallen. Wordt dan het teken gegeven om het gesprek af te breken, dan klaagt hij dat het officie zo lang duurt en de tussentijd zo kort is. Hij vraagt verlof om na het officie zijn praatje weer voort te zetten, niet om iemand te stichten maar om zijn kennis uit te kramen. Stichten kan hij wel, maar stichten is zijn bedoeling niet; hij wil u niets leren of van u iets leren wat hijzelf niet weet, maar iedereen moet weten dat hij weet wat hij weet. En als het over het geestelijke leven gaat, dan komt hij direct met visioenen en dromen voor de dag. Dan geeft hij hoog op van het vasten, het nachtwaken prijst hij aan en het bidden verheerlijkt hij bovenal. Over de lankmoedigheid, over de nederigheid en over iedere deugd in het bijzonder houdt hij ellenlange, maar even ijdele betogen, opdat gij die het aanhoort toch maar zoudt zeggen: “De mond spreekt waar het hart vol van is,” en: “een goed mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart” (Luk. 6, 45). Komt het gesprek op grappige dingen, dan blijkt hij des te spraakzamer omdat hij er meer in thuis is. Ge zoudt zeggen als ge hem hoort dat zijn mond een vloed van ijdelheden is, een stroom van anekdoten, zodat hij ook strenge en ernstige karakters onbedaarlijk doet lachen.

Om kort te gaan: Let bij al dat geklets op zijn grootspraak. Hier hebt ge dan de vierde trap, de beschrijving en de naam ervan. Vlucht de zaak en onthoud de naam. Betreedt nu met dezelfde voorzorg de vijfde trap die ik de buitenissigheid noem.

 

VEERTIENDE HOOFDSTUK

Vijfde trap: de buitenissigheid

 

  1. Het zou wel al te gek zijn als iemand die zich boven de anderen verheven voelt niet iets meer doet dan de anderen om daardoor de schijn te wekken ook meer dan de anderen te zijn. Daarom heeft hij niet genoeg aan wat de gewone regel van het klooster en de voorbeelden van de ouderen hem leren. Toch legt hij er zich niet op toe om beter te zijn, doch slechts om beter te schijnen. Hij hunkert er niet naar beter te leven, doch de schijn te hebben beter te leven, zodat hij kan zeggen: “Ik ben niet als die andere mensen” (Luk. 18, 11). Hij is meer ingenomen met één keer te vasten terwijl de anderen middagmalen, dan om zeven dagen samen met de anderen te vasten. Aangenamer lijkt hem één gebedje apart dan de psalmodie van een hele nacht.

Onder het eten laat hij telkens zijn ogen langs de tafels gaan; en als hij iemand ziet die minder eet, voelt hij zich gekrenkt omdat hij overtroefd is, en hij begint zich datzelfde wredelijk te onttrekken, hoewel hij eerst had gedacht dat het nodig was voor zijn gezondheid. Want hij is meer beducht voor een vermindering van zijn eer dan voor de kwelling van de honger. Als hij iemand ziet die magerder of bleker is, denkt hij dat hij nog niets is en nooit kent hij rust. Daar hij van zijn eigen gezicht niet kan zien welke indruk het maakt in het oog van de anderen, kijkt hij naar zijn handen en armen die hij wel kan zien, bevoelt zijn ribben en betast zijn schouders en zijden. Naar de mate dat hij dan zijn ledematen meer of minder uitgeteerd bevindt, hoopt hij de bleekheid en de kleur van zijn gezicht te kunnen vaststellen.

Hij is flink en vaardig voor al zijn particuliere praktijken, maar traag in de gemeenschappelijke oefeningen. Hij waakt op bed en slaapt in het koor. Terwijl de anderen de metten zingen zit hij de hele nacht te slapen, maar na de metten, als de anderen wat rust gaan nemen in de kruisgang, blijft hij alleen in de kerk achter: hij schraapt zijn keel en hoest, en met zuchten en steunen doet hij vanuit zijn hoekje de oren tuiten van hen die buiten zitten.

Door heel deze singuliere en dwaze manier van doen stijgt hij in de achting van de eenvoudigen, die de werken waarderen naar wat ze ervan zien, maar niet onderscheiden waar ze uit voortkomen. En daar deze de ongelukkige als een heilige beschouwen, brengen ze hem in dwaling.

 

VIJFTIENDE HOOFDSTUK

Zesde trap: de verwaandheid

 

  1. Hij gelooft wat hij hoort, gaat groot op wat hij doet, en wat zijn bedoelingen zijn, daar slaat hij geen acht op. Hij vergeet wat zijn eigen oogmerken zijn, en is er op verzot te horen wat anderen van hem denken. En hij die in iedere andere zaak eerder zichzelf gelooft dan anderen, gelooft, wanneer het hem aangaat, eerder anderen dan zichzelf, met het gevolg dat hij niet alleen met woorden of door vertoon van werken met zijn eigen vroomheid te koop loopt, maar in het diepst van zijn hart gelooft dat hij heiliger is dan ieder ander. Al wat hij weet dat ze in hem waarderen, schrijft hij niet toe aan de onwetendheid of de welwillendheid van wie hem prijst, maar hij is zo verwaand dit als zijn eigen verdiensten te beschouwen.

Daarom komt terecht na de buitenissigheid aan de verwaandheid de zesde trap toe. Hierna komt de vermetelheid, waarin de zevende trap bestaat.

 

ZESTIENDE HOOFDSTUK

Zevende trap: de vermetelheid

 

  1. Want wie denkt dat hij hoog boven anderen uitsteekt, hoe zou hij zichzelf niet bekwamer achten dan de anderen? Op de bijeenkomsten neemt hij de eerste plaats in, bij de beraadslagingen geeft hij het eerst bescheid. Ongeroepen dient hij zich aan, zonder opdracht mengt hij zich in andermans zaken. Hij regelt wat al geregeld is en doet opnieuw wat al klaar is. Wat hij zelf niet gedaan of geregeld heeft, vindt hij niet goed gedaan, niet fraai geregeld. Hij beoordeelt hen die moeten oordelen en hij velt zijn oordeel al voordat men heeft beslist. Als de tijd daar is en hij wordt niet tot prior benoemd, denkt hij dat zijn abt afgunstig is of misleid. Als hem maar een middelmatige bediening wordt opgelegd, is hij kwaad en ziet er op neer, want hij meent dat hij zich niet met kleinigheden mag bezighouden, omdat hij zich tot grote dingen geroepen voelt.

Maar wie gewoon is zich zo overhaast met alles in te laten, meer met overmoed dan met vrijmoedigheid, die moet zo nu en dan toch wel eens dwalen. De overste nu komt het toe de dwalende terecht te wijzen. Maar hoe zal hij zijn schuld bekennen, die niet vindt dat hij schuldig is en niet verdragen kan voor schuldig gehouden te worden? Als hem dus een fout wordt aangerekend, groeit zijn schuld en wordt niet weggenomen. Als ge dus na een berisping ziet dat zijn hart afwijkt tot boosaardige woorden, weet dan dat hij op de achtste trap is terecht gekomen welke genoemd wordt: de verdediging van zijn fouten.

 

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK

Achtste trap: de verdediging van zijn fouten

 

  1. Op velerlei manieren verontschuldigt men zijn fouten. Wie zich verontschuldigt zegt: Ik heb het niet gedaan, of: ik heb het gedaan, o ja, maar wat ik deed was goed, of als het verkeerd was: het was toch niet erg verkeerd, of als het erg verkeerd was: het was toch niet verkeerd bedoeld. Als hij dan ook hiervan overtuigd wordt, zoals Adam en Eva, dan probeert hij zich te verontschuldigen door ermee aan te komen dat een ander het hem aangeraden heeft. Maar wie brutaalweg zelfs openlijke fouten verdedigt, hoe zal hij de verborgen en slechte gedachten die in zijn hart opkomen nederig aan zijn abt openbaren?

 

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

Negende trap: de gehuichelde bekentenis

 

  1. Al worden deze soorten van verontschuldiging als zo verkeerd beschouwd dat ze in de mond van de profeet boze woorden worden geheten, toch is een bedrieglijk en hovaardig bekennen nog veel gevaarlijker dan een halsstarrig en koppig verdedigen. Want als sommigen van al te aperte fouten worden beschuldigd en ze weten, dat wanneer ze zich verdedigen, ze toch niet worden geloofd, dan vinden ze een verfijnder middel om zich te verdedigen en ze antwoorden met een bedrieglijke bekentenis. Want “er zijn er die zich arglistig vernederen, maar hun binnenste is vol bedrog” (Wijsh. v. Jezus Sirach 19, 26). Ze slaan hun ogen neer, ze werpen zich languit op de grond, ontwringen zich zo mogelijk enige traantjes. Ze onderbreken hun stem met zuchten, hun woorden met gesteun. En niet alleen verontschuldigt zo iemand niet wat hem voor de voeten wordt geworpen, maar zelf verzwaart hij de schuld nog opdat, als ge hem dan uit eigen mond zo iets onmogelijks of ongelofelijks aan zijn schuld hoort toevoegen, ge ook zoudt gaan wantrouwen aan wat ge als vaststaand beschouwde. Want daar ge zeker weet dat het onwaar is wat hij bekent, begint ge nu ook te twijfelen aan wat ge voor zeker hield.

Zo bevestigen ze wat ze niet willen dat men zal geloven, en aldus verdedigen ze hun fouten door ze te bekennen en bedekken ze door ze te openbaren. De bekentenis klinkt lofwaardig in de mond, maar de ongerechtigheid gaat nog schuil in het hart. Wie het hoort zal in de mening komen dat ze meer uit nederigheid dan naar waarheid bekennen en op hen het woord van de Schrift toepassen: “De gerechtige begint met zichzelf te beschuldigen” (Spr. 18, 17). Want liever zetten ze bij de mensen hun waarachtigheid op het spel dan hun nederigheid, terwijl ze het bij God beide op het spel zetten. Of als hun schuld zo evident is dat ze met geen enkele listigheid meer verdoezeld kan worden, dan worden ze toch slechts in hun woorden berouwvol, niet in hun hart. Daardoor wissen ze de smaad uit, niet de schuld, daar ze de schande van een openlijke overtreding opheffen door de eervolle daad van een publieke bekentenis.

 

  1. Iets heerlijks is toch de nederigheid dat zelfs de hoogmoed zich daarin wil hullen om niet geminacht te worden. Maar deze sluwe tactiek zal spoedig door de overste worden ontmaskerd, als hij zich door deze hovaardige nederigheid maar niet laat vermurwen om de schuld door de vingers te zien en de straf uit te stellen. Het werk van de pottenbakker wordt beproefd in de oven, zo brengt de kastijding aan het licht wie werkelijk boetvaardig is. Want wie oprecht berouw heeft schrikt niet terug voor de last van de boete maar al wat hem wordt opgelegd voor de fout die hij haat, aanvaardt hij geduldig en innerlijk zwijgend. Ook als er door de gehoorzaamheid moeilijke en onplezierige dingen opduiken of als hij allerlei beledigingen te slikken krijgt, houdt hij stand en laat niet af zodat hij blijk geeft op de vierde trap van de nederigheid te staan. Als iemand echter wiens bekentenis gehuicheld was, met een vernedering, al is het maar een enkele of een lichte, of met een kleine straf aan de tand wordt gevoeld, dan kan hij geen nederigheid meer huichelen, dan kan hij zijn gehuichel niet meer verbergen. Hij moppert, gromt, wordt woedend; en hij geeft blijk niet op de vierde trap van nederigheid te staan, maar op de negende van hoogmoed te zijn terecht gekomen. Deze kan na de voorafgaande beschrijving heel juist de gehuichelde bekentenis worden genoemd.

Hoe groot denkt ge niet dat de teleurstelling zal zijn in het hart van de hoogmoedige als zijn gedraai doorzien is, als hij de vredekus niet ontvangt, als hij in achting gedaald is en zijn schuld niet uitgewist? Eindelijk kennen allen zijn ware aard, eindelijk hebben ze hem allemaal door. En des te heftiger is de verontwaardiging van allen, nu ze zien dat het onwaar is wat ze vroeger van hem dachten. Dan komt het erop aan dat de overste niet gaat denken hem nog te moeten ontzien. Veeleer zou hij allen stoten, als hij deze ene zou sparen.

 

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

Tiende trap: de weerspannigheid

 

  1. Als de hemel niet genadig op hem neerziet, zodat hij – wat zeer moeilijk is voor dergelijke typen – zich zwijgend neerlegt bij het oordeel van de gemeenschap, zal hij spoedig brutaal en onbeschaamd worden en vervalt hij door zijn weerspannigheid tot de tiende trap, des te erger omdat er zoveel minder uitzicht is. Hij die eerst in stilte zo verwaand was zijn broeders te verachten, wordt nu openlijk zo ongehoorzaam dat hij zelfs de meester minacht.

 

  1. Nu moet men weten dat alle trappen, die ik in twaalf heb onderverdeeld, tot slechts drie kunnen worden teruggebracht. Op de eerste zes veracht men zijn broeders, op de vier volgende zijn meester, op de twee die nog overblijven veracht men God. Eveneens valt er op te merken dat deze twee laatste trappen van hoogmoed, die bij het opklimmen de twee eerste van nederigheid zijn en die buiten de communiteit moeten worden bestegen, zo ook binnen de communiteit niet kunnen worden afgedaald. Dat ze nu van tevoren bestegen moeten worden kan men hier gemakkelijk uit opmaken, dat er als derde trap van nederigheid in de Regel staat te lezen: “De derde trap van nederigheid bestaat hierin, dat men zich uit liefde tot God aan een overste onderwerpt in volkomen gehoorzaamheid.” Wordt dus op de derde trap de onderwerping geplaatst welke zonder twijfel plaats vindt als de nieuweling zich voor het eerst aansluit bij de kloostergemeenschap, dan volgt daaruit dat de bestijging van de twee eerste treden verondersteld mag worden. Wanneer een monnik dus de broederlijke eensgezindheid en het oordeel van de meester versmaadt, dan kan hij in het klooster nog slechts ergernis geven.

 

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Elfde trap: de vrijheid van zondigen

 

  1. Wanneer hij dus na de tiende trap die we weerspannigheid genoemd hebben, uit het klooster is weggejaagd of zelf is weggegaan, wordt hij aanstonds opgevangen door de elfde trap. Dan betreedt hij wegen die de mens goed toeschijnen, maar waarvan het einde hem (als God tenminste deze wegen niet verspert voor hem) in het diepst van de hel doet verzinken, dit wil zeggen: in de verachting van God. “Als een goddeloze in de afgrond van zijn boosheid is gekomen, veracht hij” (Spr. 18, 3).

De elfde trap nu zou men kunnen noemen: de vrijheid van zondigen. Want als de monnik de meester niet meer ziet die hij vreest, en ook zijn broeders niet voor wie hij ontzag heeft, schept hij er behagen in zoveel ongestoorder, want zoveel vrijer, zijn verlangens in te volgen waarvan hij in het klooster door schaamte en vrees werd afgehouden. Al is hij echter niet meer bang voor zijn broeders en zijn abt, de vrees voor God heeft hij toch nog niet helemaal verloren. De rede die nog zachtjes tegensputtert, houdt deze vrees voor aan de wil zodat hij aanvankelijk niet zonder enige aarzeling maar doet wat ongeoorloofd is. Doch evenals iemand die een doorwaadbare plaats probeert, gaat hij slechts voetje voor voetje en niet in volle vaart de kolk der ondeugden binnen.

 

EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

Twaalfde trap: de gewoonte van zondigen

 

  1. Maar wanneer er door een schrikwekkend oordeel Gods op de eerste schanddaden straffeloosheid volgt, wordt het genot, eenmaal geproefd, met graagte herhaald en door de herhaling aangenaam. Terwijl de begeerlijkheid weer ontwaakt, dommelt de rede in en de gewoonte werkt verlammend. Weggesleurd wordt de rampzalige in de afgrond der zonden, overgeleverd als slaaf aan de tirannie der ondeugden. En eenmaal verzwolgen in de maalstroom der vleselijke verlangens, vergeet hij zijn redelijke natuur en de vrees voor God, zodat de dwaas in zijn hart zegt: “Er is geen God” (Ps. 14, 1). Tussen genoeglijk en geoorloofd is er dan voor hem geen onderscheid meer. Van ongeoorloofde dingen te overdenken, te bedrijven of op te sporen houdt hij zijn gedachten, zijn handen en voeten niet meer af, maar alwat in zijn hart, wat hem voor de mond of in het bereik van zijn handen komt, daar zint hij op, dat flapt hij eruit, dat doet hij met zijn boze wil, in ijdel gezwets als een misdadiger.

Zoals ten slotte de rechtvaardige die al deze trappen beklommen heeft, reeds met een opgeruimd hart en zonder moeite wegens de goede gewoonte naar het leven snelt, zo spoedt zich onvervaard naar de dood de goddeloze, die deze trappen is afgedaald, zich kwader gewoonte niet door zijn rede laat leiden en zich niet inhoudt met de teugel der vreze. Daar tussenin staan zij die zich moe en angstig maken; die nu eens door vrees voor de hel worden gefolterd en dan weer, geremd door hun oude gewoonte, weer hun best doen om af te dalen of op te stijgen. De hoogste slechts en de laagste snellen zonder hinder en zonder moeite vooruit. Naar de dood spoedt zich de een, naar het leven de ander. De ene vurig, de ander gretig. De laatste ontleent zijn vurigheid aan de liefde, de eerste zijn gretigheid aan de begeerlijkheid. In de een is het de liefde die geen moeite voelt, in de ander de verdwaasdheid. In gene is het de volmaakte liefde, in de ander de volslagen boosheid die de vrees buitenwerpt. Aan gene is het de waarheid, aan deze de verblindheid

die de gerustheid geeft.

De twaalfde trap kan dus genoemd worden: de gewoonte van zondigen waardoor men de vreze Gods verliest, maar in plaats daarvan Hem gaat verachten.

 

TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK

Hoe men bidden moet voor hen die geestelijk dood zijn

 

  1. Voor zo iemand, zegt de apostel Johannes, zeg ik niet dat men nog moet bidden (1 Joh. 5, 16). Maar zegt gij dan, apostel, dat men moet wanhopen? Integendeel, laat verzuchten wie hem liefheeft. Bidden moet men niet meer proberen, maar met wenen mag men niet ophouden. Wat bedoel ik hiermee? Blijft er soms nog een toevlucht voor de hoop, als er voor het gebed geen plaats meer is? Luister naar iemand die wel gelooft en hoopt, maar toch niet bidt. “Heer, zegt ge, waart ge hier geweest, dan was mijn broeder niet gestorven” (Joh. 11, 32). Haar vertrouwen was wel groot dat zij geloofde dat de Heer als Hij erbij was geweest, door zijn aanwezigheid de dood had kunnen tegenhouden. Maar wat nu? Het is ondenkbaar dat zij die geloofde dat Hij een levende kon redden, zou betwijfelen dat Hij een dode kon opwekken. “Maar ook nu weet ik zegt ze, dat al wat Ge aan God zult vragen, God U zal geven.” Dan antwoordt ze op zijn vraag waar ze hem hebben neergelegd: “Kom en zie.” Waarom? O Martha, ge levert ons daar grote bewijzen van uw geloof, maar hoe komt het dat ge bij zo een groot geloof nog kleinmoedig zijt? Kom, zegt ge, en zie. Als ge niet wanhoopt, waarom gaat ge niet voort en zegt ge niet: En wek hem op? Maar als ge wanhoopt, waarom valt ge dan de Meester zonder reden lastig? Of kan het geloof misschien wel eens verkrijgen waar het gebed niet op durft rekenen?

En als de Heer dan bij het lijk komt, houdt ge Hem nog tegen en zegt: “Heer, hij riekt reeds, want het is al de vierde dag” (Joh. 11, 21, 34, 39). Zegt ge dit in wanhoop of houdt ge u maar zo? Zo hield immers ook de Heer zich na zijn verrijzenis alsof Hij verder wilde gaan, terwijl Hij daarentegen bij zijn leerlingen wilde blijven. O heilige vrouwen, vertrouwelingen van Christus, als ge van uw broer houdt, waarom doet ge dan geen beroep op zijn barmhartigheid, als ge niet kunt twijfelen aan zijn macht, aan zijn goedheid niet kunt wantrouwen? Ze antwoordden: Zo bidden wij beter, door te doen alsof wij niet bidden, zo is ons vertrouwen krachtiger, als we net doen of we niet vertrouwen. Wij betuigen ons geloof, wij betonen onze genegenheid: Hij die het niet nodig heeft dat men Hem iets zegt, weet wat wij verlangen. Wij weten wel dat Hij alles kan, maar een zo groot wonder, zo nieuw, zo ongehoord, al ligt het wel in zijn macht, gaat toch verre alle verdiensten van onze geringheid te boven. Ons is het genoeg als we zijn macht de kans geven, zijn liefde een gelegenheid. Wij willen liever geduldig afwachten wat Hij wil, dan brutaal vragen wat Hij misschien niet wil. Dan kan, wat aan onze verdiensten ontbreekt, onze terughoudendheid misschien wel aanvullen. Ook Petrus zie ik na zijn zware zonde wel wenen, maar bidden hoor ik hem niet. En toch twijfel ik er niet aan dat hij vergiffenis ontving.

 

  1. Leer ook van de Moeder des Heren een groot geloof in wonderen te hebben, maar bij dat groot geloof toch terughoudend te blijven. Leer met de schroomvalligheid uw geloof te sieren, uw overmoed neer te drukken. “Ze hebben geen wijn meer” (Joh. 2, 3), zegt ze. Hoe kort, hoe eerbiedig wijst zij Hem op dat wat haar in haar liefde bezorgdheid baarde. En opdat ge zoudt leren in zo een geval eerder liefdevol te zuchten dan vermetel te vragen, temperde zij de gloed van haar liefde met een vleugje verlegenheid, onderdrukte zij schuchter in haar vraag het vertrouwen dat haar bezielde. Niet met opgeheven hoofd trad zij op Hem toe, niet in het openbaar sprak zij Hem aan, niet uitdagend zei zo waar allen bij waren: Ik bid u, mijn Zoon, de wijn is op, de gasten kijken teleurgesteld en de bruidegom staat verlegen. Laat nu eens zien wat ge kunt. Maar hoewel haar brandend hart en haar vurige liefde dit alles en nog veel meer wilde uitspreken, toch wendde die lieve Moeder zich afzonderlijk tot haar machtige Zoon, niet om zijn macht te beproeven maar om zijn gezindheid te onderzoeken. “Ze hebben geen wijn meer,” zegt ze. Kan het bescheidener? Kan het vertrouwvoller? Aan haar liefde ontbrak het vertrouwen niet, haar stem was waardig en haar verlangen werd vervuld. Als zij dan, hoewel zij moeder is, haar moederschap vergeet en niet om een wijnwonder durft vragen, hoe zou ik dan, onbeduidende slaaf, voor wie het iets groots is de dienaar te zijn van Zoon en Moeder tegelijk, hoe zou ik me dan vermeten om het leven te vragen van een die al drie dagen dood is?

 

  1. Ook van twee blinden staat er in het Evangelie te lezen dat de een het gezicht kreeg en dat de ander het terugkreeg. De een wat hij verloren had, de ander wat hij nooit bezeten had. De een was namelijk blind geboren, de ander blind geworden. Maar die blind geworden was verkreeg door zijn jammerlijk en overluid geroep deze buitengewone gunst. Genadiglijk daarentegen, maar daarom des te wonderlijker, ondervond de blindgeborene, zonder er van tevoren om gebeden te hebben, toch de weldaad van Hem die hem verlichtte.

Tot de eerste werd gezegd: “Uw geloof heeft u gered” (Mark. 10, 52). Tot de andere echter niet.

Ook lees ik dat er twee pas gestorvenen en een die drie dagen dood was werden opgewekt. Alleen zij echter die nog in het huis stond opgebaard, door de beden van haar vader, de twee anderen door een onverhoopte grootmoedigheid van liefde.

 

  1. Als nu op gelijke wijze een van onze broeders (wat God verhoede) niet naar het lichaam maar naar de ziel komt te sterven, dan zal ik, hoe zondig ik ook ben, zolang hij nog onder ons is met mijn gebeden en met de gebeden van mijn medebroeders bij de Verlosser aankloppen en nog eens aankloppen. Als hij weer levend wordt, hebben we onze broeder gewonnen. Als we echter geen verhoring verdienen en hij kan de levenden of de levenden kunnen hem niet langer verdragen, en men al aanstalten maakt voor zijn uitvaart, dan blijf ik nog wel trouw zuchten, maar zo vertrouwvol bidden doe ik niet meer. Ik durf niet ronduit te zeggen: Kom, Heer, wek onze dode op. Maar in angstige spanning en inwendig trillend houd ik niet op te roepen: Misschien, misschien zal de Heer het verlangen der armen verhoren, zal zijn oor zich neigen naar de gesteltenis van hun hart. En dit: “Zult Gij voor doden nog wonderen doen, zullen de geneesheren hen opwekken en zij U loven?” En over die de vierde dag dood is: “Zal wel iemand in het graf van uw erbarming gewagen, van uw trouw in het verderf” (Ps. 88, 11, 12)? Het zou kunnen zijn dat de Verlosser, als Hij wil, ons onverwacht en onvoorzien tegemoet komt, en ontroerd door de tranen der dragers, niet door hun beden, het leven van de gestorvene aan de levenden teruggeeft, of zelfs de begravene van de doden terugroept.

Dood nu zou ik hem willen noemen die zijn zonden verdedigt en op de achtste trap is terecht gekomen. “Van een dode immers, als van een die niet is, verstomt de belijdenis” (Wijsh. v. Jezus Sirach 17, 26). Na de tiende trap echter, die de derde is gerekend vanaf de achtste, heeft zijn uitvaart reeds plaats naar de vrijheid van zondigen, wanneer hij verdreven wordt uit de kloostergemeenschap. Maar wanneer hij de vierde voorbij is, kan men hem met reden vier dagen dood noemen. Vervalt hij door de gewoonte tot de vijfde trap, dan wordt hij begraven.

 

  1. Het zij echter verre van ons dat we voor zulken, al durven we het niet openlijk meer te doen, zouden ophouden met bidden in ons hart. Want Paulus betreurde zelfs hen van wie hij wist dat ze zonder berouw gestorven waren. Al sluiten ze zich uit van de gemeenschappelijke gebeden, van onze gevoelens kunnen zij het onmogelijk. Wel moeten ze weten in wat voor een groot gevaar ze zijn, als de Kerk niet meer openlijk voor hen durft bidden, terwijl ze dat wel vol vertrouwen doet voor joden, ketters en heidenen. Want wanneer op Goede Vrijdag uitdrukkelijk voor alle soorten zondaars gebeden wordt, worden de geëxcommuniceerden op geen enkele wijze vermeld.

 

  1. Ge zult nu misschien zeggen, broeder Godfried, dat ik ten slotte met iets anders voor de dag ben gekomen dan gij gevraagd hebt en ik heb beloofd, daar ik blijkbaar in plaats van de trappen van nederigheid de trappen van hoogmoed heb beschreven. Daar heb ik dit op te zeggen: Ik kan enkel maar onderwijzen wat ik geleerd heb. Het leek me niet passend dat ik opgangen zou beschrijven, daar het dalen me beter afgaat dan het klimmen. Laat de zalige Benedictus u de trappen van nederigheid voorhouden, die hij eerst in zijn eigen hart bereidde. Ik heb niets voor te houden dan de orde van mijn neergang.

Toch kunt ge daaraan, als ge goed toeziet, misschien de weg van de opgang vinden. Als ge immers op weg zijt naar Rome en er komt u een man van ginds tegemoet, wat kon hij dan beter doen als ge hem de weg vraagt dan u de weg te wijzen die hij zelf gekomen is. Terwijl hij de dorpen, hoeven, steden, rivieren en bergen opnoemt die hij passeerde en daarmee zijn eigen weg beschrijft, duidt hij u de uwe aan. Zodoende zult ge dezelfde plaatsen op uw heenweg herkennen die hij gepasseerd is op zijn terugweg. Evenzo zult ge misschien in onze neergang de trappen naar boven vinden, die ge beter zult lezen in uw eigen hart door ze te beklimmen dan in ons boek. Amen.

 

NALEZING

In dit traktaatje (no. 11) heb ik een tekst uit het Evangelie aangehaald waarin de Heer zegt dat Hij de dag van het laatste oordeel niet weet, om een mening te bevestigen en kracht bij te zetten. Daar heb ik in mijn argeloosheid echter iets aan toegevoegd wat niet in het Evangelie staat, zoals ik later ontdekt heb. Want terwijl de tekst enkel heeft: “Ook de Zoon weet het niet” (Mark. 13, 32), heb ik gezegd, eerder zelf misleid dan dat ik anderen wilde misleiden, want ik was de letterlijke tekst vergeten, maar niet de zin: “Ook de Mensenzoon weet het niet.” En daar dit het uitgangspunt was van het volgende betoog, heb ik met mijn onjuiste stelling de waarheid van mijn mening willen bewijzen. Maar omdat ·ik die fout pas veel later ontdekt heb, nadat het boek allang door mij was uitgegeven en door velen reeds was overgeschreven, en omdat ik deze onjuistheid, die al over zoveel boeken verspreid is, niet meer kon bereiken, heb ik het noodzakelijk geacht mijn toevlucht te nemen tot het redmiddel der bekentenis.

Op een andere plaats (no. 35) heb ik ook een mening geuit over de Serafs, die ik nooit gehoord heb en nergens gelezen. Mijn lezer moge er wel op letten dat ik derhalve bezadigd “ik denk” heb gezegd. Want ik wil slechts als een mening laten doorgaan, wat ik niet vast uit de Schriftuur bewijzen kan.

Ook op de titel die er boven staat “De trappen van nederigheid” zal wel aanmerking gemaakt worden, omdat het de schijn heeft dat ik niet de trappen van nederigheid maar veeleer die van de hovaardigheid onderscheiden heb en beschreven. Maar dit zullen zij slechts doen die niet goed begrijpen of niet goed opletten wat de bedoeling is van de titel. Die heb ik echter in het kort willen aangeven aan het slot van dit traktaatje (no. 57).